En dan nu, de fotospecial, met extra veel plaatjes voor het begerig oog. Twee dagen lang sudderen in een zuidindiase trein laat je er uitbreken in een manie van plakkerig zweet, stof en aangekoekt vuil dat je er enkel met minstens twee keer mandi-mandi-en afkrijgt. Het was een eindeloze rit geweest van nodeloos wachten in the middel of nowhere waarbij ik mij telkens als dit voorkwam een weg naar buiten wurmde om samen met de andere mannen onder de schaduw van een boom te gaan zitten of op de rails om wat op mijn fluit te blazen, zie ginds komst de stoomboot, de torenspits van zltbommel, de lambada en zo meer. Dit had als bijwerking dat zich al gauw een dichte haag van toeschouwers verzamelde die zelfs het laatste zuchtje wind wegnam waarvoor ik nu juist naar buiten gekomen was zodat ik mij dan weldra weer naar een andere locatie verplaastte waar het hele proces zich dan weer van vooraf aan afspeelde. We reden door de verschroeide vlaktes van centraal India waar de verzengende zon met de cepter zwaait en het een wonder is als je meer dan een paar huizen bij elkaar ziet staan. In het station van Patna haalde ik deze keer zonder problemen Wanda van de trein en zo fietsten we algauw richting busparkeerplaats. Wat toen volgde is niet echt het vermelden waard maar het was een opeenstapeling van botsende bussen, ongewillige hoteleigenaren, stakingen en stroomuitval die ik enkel overleefde met de hulp van een engel op een fiets vermomd als
een jonge bruinen jongenman. Het terugkeren in Nepal voelde een beetje als het vinden van en eenzame pinda op de bodem van mijn tas, een gebeurtenis die mij immer grote vreugde inboezemt. Het leek er wel niet veel veranderd aan de buitenkant, maar de littekens van de afgelopen vijf jaar worden vooral gedragen door de vriendelijke bewoners van Kathmandu zelf. De jaren van een dictator van een monarch, maoistiesche rebellen en een in en in corrupte regering hebben diepe sporen nagelaten in de Nepalese sameleving. De voedingsmiddelen die de mensen het meest gebruiken als rijst, dahl en melk zijn soms wel vijf keer zo duur geworden. Water is schaars en stroom onberekenbaar terwijl er in Nepal grote wilde rivieren stromen met heerlijk schoon bergwater. En wie is het die hier het meest onder lijd? zeker niet de politicie in hun burgten van huizen die je van muren en posters toe grijnzen met hun vette koppen. Het zijn de mensen onderaan de economische schaal die hun kinderen het centrum in sturen om te bedelen waar ze s'nachts vuil en grijs op de betonnen toritoirs slapen in groepen onder de bedwelming van de lijm die zij in plastic zakjes bij zich dragen. Thuisloos als ze
zijn, na een hopeloze dag niet genoeg, nooit genoeg hebben opgehaald en bang zijn om weer naar huis te gaan met kans op een aframmeling. Dit is een werkelijkheid van Nepal, maar gelukkig zijn er ook mensen die hier iets aan proberen te doen. Zo is er een tehuis gerund door een vrouw genaamd Amma bekend als het 'Hopefull home for helpless children' waar ik vroeger ook ben geweest, om te helpen met het maken van huiswerk of het bedenken van spelletjes voor de kinderen. Inmiddels hebben ze een veel mooier en groter huis gekregen aan de randen van de stad tenmidden van de groenen rijst en kolen velden onder de wakende hoede van de bossige groene berzijden. De kinderen van toen nu veel groter en geschoold, en ik? Mischien een beetje kleiner geworden of enkel ouder. Meteen het eerste weekend in Kathmandu werd ik uitgenodigd voor een vage trance gathering ergens in de bergen en ik besloot te gaan al was het enkel voor de ervaring. Ons meetingpoint was Freak street, nabij de oude tempels en paleizen van Kathmandu, op een hoek bij de Bio-shop. Het duurde een tijdje voor alles geregeld was en dus verzamelde zich langzaam een kleurige groep chillende freaks met wie ik al trommelend en fluitend de zonnige namiddag passeerde. Toen alles compleet was liepen we met ze allen naar de microbus waar we ons met z'n 25 inpropten en gingen opweg. Voor we goed en wel het beige stof van de stad achter ons hadden gelaten was het in middels zonsondergang en na een poosje klommen enkelen van ons op het dak voor een wervelende rit. Toen we even pauseerden danste ik daar sky high op de frisse berglucht en de euforie, crystal clear. Toen, een lekke band en dan een weirde eetstop waar iedereen massaal aan de Dahl Baath ging, maar ik verkoos mijn yoga als geestelijk voeding.
Daar zag ik de laaste vallende sterren, rood opgloeiend in mijn innerlijk universum, en de wonderen van het wanderende leven. De bergen, zo bewerkt door mensenhanden, de rijsterassen hoog boven mij uitstrekkend. Toen, terug in de bus voor een duizelende rit full power over een smalle bergweg. Dude, dit is trippy, ik denk niet dat ik ooit zo speecend in een voertuig heb gezeten. Het hele heelal kwam door de bus heen, en gooide mij van mijn koers op een goeie manier. Dan, eindelijk waren we er en het was een wonderschone plek. Onder ons stroomde en wild bruisende rivier in haar wilde bedding, rondom ons waren de duistere bergen en in het hemels zwart was inmiddels de bijna volle maan verschenen die ons vriendelijk toelachte. Ik voelde de aarde en was er. Helaas was de muziek mij veel te base, enkel de onderste chakra's stimulerend terwijl ik juist van boven overstroomde. Dus ging ik maar aan de verstilde weg zitten, op het grijze steen en mediteerde tot het eerste licht van de zon zich weer vertoonde aan de heldere hemel. Ik voelde mijn hele lichaam, van binnen. Elke spier en fiber in gewaarzijn en afstemming. In die rust, is het enige dat ik nog behoef yoga. Innerlijk vrede kan enkel bereikt worden waneer er eerst vrede is met het lichaam. Toen de gouden zon ons weder met zijn gouden licht betaste daalde ik af naar de schoonheid van de grote rivier en verwonderde me over haar pure pracht en weelde, deze gift van moeder aarde. In haar
vloeibare lichaam bereikte ik de ultieme frisheid en was klaar voor een nieuwe dag. Ik bevond me in een van de schoonste valeien van de Himalaya en besloot dus maar eens een goeie wandeling te gaan maken. Ik liet de blowende en chillende feestlieden voor wat ze waren en stuurde mijn voeten richting de hoge bergen van de Bhote Koshi. Het verstilde dorp dat nu ontwaakte met het dreunen van de base was een sureaale gewaarwording. Mensen in grauwe simpele kleren die bundels hout of zakken rijst met banden over hun hoofd droegen. De kinderen met piekerig haar die maar eens kwamen kijken wat die vreemd buitenlanders nou aan het doen waren daar de hele nacht. Ik kan het aleen maar met hun eens zijn dat het een vreemd gebeuren was op deze bijna heilig natuurlijke plaats, ontaardend. Ik liep, en liep, soms naar beneden, maar voornamelijk omhoog, langs plekken waar mensen met hamers en wiggen platen gekleurd leisteen uit de rots aan het bikken waren en die dan door kinderen naar beneden lieten dragen om te verkopen aan de weg. Ik kwam door gemanikuurde dorpjes, maar niet op een burgelijke manier, waar bloemen over de balkons groeiden en de bewoners duidelijk plezier hadden in hun leven. Is het mischien de armoede barriere die hun, ookal hebben ze niet veel, toch laat genieten van wat ze hebben in dankbaarheid? De bergen ook maar proberen te raken met woorden zou een daad zijn van pure arrogantie en zelfoverschatting. Overal waren terassen en mensen die aan de overkant van de diep gesneden vallei met buffles hun landjes aan het ploegen waren. Al gauw kwam ik in de Boedhistiesche gedeelten waar de vrouwen vrolijk gestreepte schorten dragen en gebetsvlaggen over de huizen en tempeltjes wapperen. De hele dag liep ik en kronkelde door de grote vallei, nog lichtelijk in de waas van mijn droombetovering, zulke ongeloofelijk oude dingen, mensen, een groep schoolkingeren in uniforms die mij een heel stug vergezelden en wie ik de engelse woorden leerde van de dingen om ond heen: Bus, river, bag, road, hair, hydroelectric dam etc. etc. Er was een plek, waar de vallei een scherpe buiging maakte, waar in een arm van de rivier, een grote grote bodhi boom groeide, in verstrengeling met een kolosaal rotsblok, er geheel omheen
groeiend. Een Shiva shrine was er onder, en ik voelde dat ik daar zijn wou. Ik werd toegelaten door een vrouw die er gras aan het maaien was met een korte cikkel en zat op de grijze stenen platen. Zo'n krachtplek dit, en ik liet er de tranen van de witte woestijn zwart naar de aarde rollen. Daar ligt het nu, in een stralende bol van energie, toevoegend aan wat daar al was, een monument van energie, lichtend voor de eeuwigheid op het veld van Akasha. Aan het einde van de dag bereikte ik het beloofde oord Tattopani, of terwel heet water, waar ik een houten hokje aan de rivier vond met uitzicht over de beboste helling. Ik liet mij in het hete water van de bron weken en was toen zeker klaar voor de nachtrust. Volgende dag, op het dak van de bus terug naar Kathmandu, de laatste tien kilometer te voet vanwegen de Maoistische staking wat inhoud dat gewoon geen enkel voertuig het moet wagen te bewegen of anders zal de met stokken en palen gewapende meute wel eens even je ruiten en koplampen komen uittesten op breekbaarheid. Toen begon het visa gebeuren. Ik was hier naar Nepal gekomen om te proberen een nieuw Indiaas visa te bemachtigen en dat is niet zo makkelijk. De eerste morgen was ik bij de poort om zes uur en na drie en een half uur wachten werd ik dan uiteindelijk geholpen. Ja, je mag over een week terug komen, we gaan eerst chekken of je geen crimineel bent. Okee, dus ik ging eerst maar eens wat de heuvels rond Kathmandu in, oh ja, en een beetje naar Bodhnath hier beter bekend als Bouddha, de grootste stuppa in Nepal en altijd een mooie vredige plaats om te zijn. Met wanda rolden we er heen, waren, zagen de boeddistische monniken die aan het zingen waren in het klooster aldaar, versierd met schitterende mandala's en thanka's. Toen, bij de uitgang terwijl ik Wanda aan het losmaken was stond daar een Taxi aan wie ik voor de grap vroeg of hij haar niet wou kopen. Hij nam dit echter serieus en aarzelde niet mij de gevraagde 5000 ruppees te overhandigen en bood mij ook nog aan me af te zetten bij de tempels van Pasupatinath. Zo zag ik een half uurtje later Mijn vertrouwde tweewielster vaarwel in de achterbak van een kleine witte Maruti en was het verhaal af. Het geld was voor het Hopefull home aan wie ik haar eigenlijk had beloofd, maar aan fiets kan je niet eten, en sinds er zo'n 400 euro aan reist per maand door heen gaat daar dacht ik dat ze het geld beter konden gebruiken dan Wanda. Bon, ging dus wat de heuvels in om te trainen voor mijn geplanden renddevous met Anita en wandelde enkele dagen in de heerlijke heuvels tussen de sparren en dennen. Nagarkot was mijn bestemming en ookal was er nu, vanwegen het stof in de lucht geen berg te zien, het mocht de pret niet drukken. Op de terugweg kwam ik weer door Bakthapur wat een oude, geheel autoloze stad is van geheel opgetrokken uit rode bakstenen. Het stikt er van de tempels en baden, pleintjes en heilige hoekjes en mensen
zitten gewoon op hun drempel omdat het een prettige plek is om te zitten, zonder al dat verkeer. Wat een heerlijhkheid, kinderen spelen op straat, oudjes zitten op verhoogde platform in de schaduw, het is er stil en de lucht is zuiver, zouden ze overal moeten doen, vooral in verstikkend Kathmandu. Anyway, terug in Kath ging het visa verhaal verder en op m'n verjaardag zou ik het dan echt krijgen. Maar helaas had de ambassade in Nederland niet geantwoord op mijn boemanbrief en dus mocht ik twee dagen later weer terug komen, voor de derde keer om zes uur s'moreges. Mijn verjaardags dag was echter geweldig. Ik had weer twee vrienden ontmoet die ik al kende uit Israel van de Walk About Love en met hun at ik Appelkruimel taart en ik kreeg wel drie kadootjes! Als omgekeerde traditie bliesen we geen kaars uit maar stakan we er een aan, veel mooier vind ik. Er was nog 1 dag voor dat mijn Nepalese visun af zou lopen en dus ging ik naar Swayambunath, de stupa op de heuvel
vol apen en met duizenden gekleurde gebedsvlaggen die in dikke trossen over de heuvels vol grote en kleinere stupes gespannen zijn. Zo een mooi gezicht is het om daar onder te zitten en het geluid te horen van de wind die er zachtjes doorheen suist. De dikke sparren met hun donkere takken, het geluid van twee jonge monniken op de achtergrond die op hun lange alpenhoorn achtige toeters aan het oefenen waren waar een enorm geknetter uit kan komen. Onder de rustige ogen van de boeddha die over de vallei uit kijken wat ooit een meer was, enkel geledigd, zo vertellen de mythen, omdat Shiva met zijn degen de rotsen kliefde aan het zuiden, en werkelijk, hoe kon het minder waar zijn?Ik kreeg mijn visa en maakte me nog die zelfde avond uit de voeten. In de bus, in de file, voor vijf uur, slapend op het dakrek. Eindeloze slierten gekleurde vrachtwagens langs de weg, en vrolijke lichtjes van binnen. Het werd fris en dus nam ik weer een stoel maar toen het licht werd ging ik snel weer naar boven om de schoonheid van de mist te aanschouwen die als een zachte deken in het dal hing onder ons en de scherpe kloven vol tuimelende rotsblokken in de groene wand aan onze linker hand. We bereikten de vlakten en reden door de bossen van Het Chitawan park tot we de grens bereikten. Daar regelde ik samen met een Israelische broeder een rickshaw en kruiste de frontier met India. Wonderbaarlijhk was het hoe, zodra we de poort onderdoorgelopen waren die; 'Welcome to India' las, de chaos begon waarvan ik bijna vergeten was dat die zo intens was, hier, in India. Staan in de bus, gepropt in de trein, kinderen vrouwen opgestapeld slapend in het gangpad, rochelende mannen tot zo'n extentie dat je gelooft dat ze het er om doen. Het was me iets te veel en dus dook ik de trein uit in Lucknow voor een tweedaags verpozen aldaar. Ook daar was het gekte, en hitte, maar tenminste had ik er een plek om me
thuis te voelen, in een guest house met een waard van de indiase maffia die mij sterk aan een kruising tussen Elvis, Cry Baby en Donny Brasco deed denken, maar uiteindelijk erg vriendelijk bleek. Toen ik Lucknows rivier, grafmonumenten met extreme hoeveelheid heldergekleurde exuberante kroonluchters en wasghat voldoende in mij had opgenomen zette ik mij reis wederom voort naar het voorlopige keerpunt, Delhi. Ook dit voelde een wat als terug thuis komen maar dan meer alsof alles is omwonden met een suikerspin rag van vettige vingers en oud zweet. Weer bemachtigde ik een kamer in het afthanse hotelfenomeen Navrang en spendeerde de eerste twintig minuten in mijn kamer met het ontwaren van de talloze aandenkingen en rotstekeningen die vorige bewoners op de muren hadden achtergelaten zonder schaam of schroom. Delhi, in afwachting verblijf ik. Nu is het enkel nog een avond voor ik vermoedelijk mijn verwekster hier ga weerzien en het is een aparte ervaring. Ik voel me niet bijzonder, maar wel heel vredig bij de momenten van innerlijke weerspiegeling waar de middaghitte mij toe gemaard. Het is d
e ademhaling waar de hele binnenste galaxis omheen draait, en ik vind het heerlijk er steeds meer mee te versmelten en het te zien zoals het is. Laat al het andere maar voor wat het is. Ken je dat, dan ken je ook al het andere wat er omheen is opgebouwd. Het is zo simpel, het simpelste wat er is, maar steeds, maken wij, het zo moeilijk.... Namaste











Thiruvannamalai is ook de plaats van de Ashram van Sri Ramana Maharshi, die hier woonde en zijn verlichting realizeerde, waarna hij voor twintig jaar in een grot heeft gewoont, aan de voet van Arunachala. Er zijn ook nog enige andere ashrams van verlichte meesters maar zijne is ronduit het meest bezocht, vooral door veel buitenlanders. De stille Meester is reeds zestig jaar geleden heen gegaan maar zijn geest zweeft nog immer over de gronden. Ik was in totaal drie dagen in Thiruvannamalai, hoe ik me er ook thuis voelde, de hitte werd me echt te veel, en ik besloot op een later tijdstip terug te keren. Het is een ongeloofelijke plek, mannen lopen er in dhotti's, veel mensen en zelfs schoolkinderen lopen blootvoets. Of het is omdat ze geen schoenen hebben of omdat ze het hele gebied als een grote tempel beschouwen weet ik niet, maar het is ongeloofelijk. De aarde op deze heilige plaats bracht in mij een wonderlijke stilte en rust teweeg, een aanwezigheid die continu was en zelfs nog voortduurde toen ik al honderd kilometer verderop was. Een bewustzijn van het 'mij' in mij, als een spil waar het hele innerlijk universum omheen draait, dat overal mee heen beweegt en zo krachtig is. Ik ontsnapte naar het oosten, waar, zo vertelde mij de kaart, zich een groep heuvels bevond met daarop enige dorpjes die, zo dacht ik, me wellicht enige verkoeling zouden kunnen bieden. Dit bleek een gouden zet. Ik stuite op een verborgen juweel. Vanaf Coimbatore ging de bus ineens steil omhoog, door dicht beboste hellingen waar wolken boven dreven (een mede reiziger vroeg zich af of dat nou een wolk was, hij had er nog nooit een van zo dichtbij gezien). Almaar hoger en hoger stegen wij, en de lucht werd merkbaar koeler. Hoog boven de vlakte uitgestegen waren er ineens hele groene heuvelzijden bedekt met theeplantages overschaduwd door zilverachtige bomen. Er waren oude coloniale huizen en villas met rode dakpannen en geschilderd in een vaal vanille geel. De lucht die tegen m'n gezicht aan stroomde veroorzaakte waarachtig verfrissing, het was een wonder. 
















De eerste avond van het Nguon festijn was er veel muziek en traditionele dansen bij het paleis van de Sultan waar honderden mensen samengekomen waren om het 252 ste jubileum te vieren van een overwinning van de twaalfde Sultan over twee of drie andere stammen. Het hele festijn is dat ook een soort afspeling van wat er toen gebeurde en alles erg kleurig en uitbundig. De centrale figuur op de foto hiernaast in het beige is de reusachtigge Sultan en daarnaast de afgezant van de franse ambassade die het geheel sponserd. Er omheen zijn de Sultan's lijfwachten en hoog kamerheren en raadslieden, allen in traditionele gewaden gehuld in de optocht. Op de tweede dag was er een eerboon van alle onderworpen stammen aan de grootheerser. Ik slaagde er in dit hele spectakel compleet te missen omdat ik de vorigge blog aan het typen was in een internatcafe met stroomgebrek. Dit bracht mij echter in een heel aparte stemming waardoor ik in staat was de overigge gebeurtenissen extra te waarderen. Er was een spannende stemming in de lucht en niemand droeg iets anders dan zijn aller beste nieuwste outfit. De meest stralende gehamerde bubu's voor de mannen in vele tinten en hun mooiste witte gebeds kapjes op bestikt met afbeeldingen van de Kabaa of de moskee in Madina, oogverblindende gewaden voor de vrouwen met glitter sjaaltjes of lange kapuchons met gouden ponpon's eraan. Die avond was het een drukte van je welste in de paleis gronden en verzamelden weder nog meer stammen zich er om uren lang te trommelen en dansen in hun prachtige traditionele gewaden met slierten en vele kleuren. Er liepen ook een aantal sjamanen tussen het volk gekleed in hun medicijn kleding behangen met vele atributen. Apenschedels, gedroogde kamelions, adelaarspoten, rieten mandjes en zelfs een met een hele krokodillen kop, een grote tooi op hun hoofd soms versierd met fluoricerende veren. Lang danste ik met deze vriendelijke mensen, alles door elkaar gehusseld, Moslims, wilden, sjeiks, kinderen met zakdoekjes, toeristen. Een groep Pygmeeen uit het bos trommelden en zongen tussen de menigte, zulke zachte eerlijke mensen, hun gezichte straalden ware uitgelatenheid uit en vrijheid van een volk nog niet geknecht maar levend aan wat nu de rand van de jungle is. Er waren raps rapsen en lange trommels en rinkel dingen en houten oer xylofoons en klankhoutjes en er werd met manden gedraaid terwijl ze dansten. Soms moest er even een hoge pief door en dan werd de massa uit elkaar gedreven zodat de sultan zichtbaar werd die op zijn troon zat op het voorpoortaal van het paleis. Laat werd het die avond maar toch was iedereen de volgende morgen weer vroeg op voor de mars naar de stadspoort. Dit onderdeel beeldede uittocht van het verzamelde leger naar het slagveld uit en alle stammen verzamelde zich eerst op het centrale plein, behangen met planten groen en vele met echte speren. Duizenden en duizenden verzamelde zich en marcheerden toen de weg af met de Sultan in het midden. Vele stammen hadden allen hun eigen trommels bij zich en al trommelend bewoog de eindeloze stoet zich voort, soms halthoudent zodat een lokale stamheer eer kon betuigen aan de Sultan als we langs zijn troon kwamen waarvoor dan zijn standaart opgesteld stond. Dit was echt de grootste stammenvergadering die ik ooit gezien heb en bij de poort gekomen werd er massaal gezongen, oorlogskreten werden uitgeschreeuwd en de lijfwachten vuurden hun oude blunderbussen af wat een oorverdovend lawaai gaf. Het geheel had echter een heel gemoedelijke sfeer ookal liep de helft met echte lange speren en zwaarden rond, erg grappig. 
Binnen een dag was ik weer terug in Sabga en was het de tijd van het Salat feest, dat viert dat Moses op de berg een ram offerde inplaats van z'n zoon en dat voor moslims erg belanrijk is omdat het ultieme gewilligheid simboliseerd tegenover Allah. In de morgen gingen alle mannen naar een veld buiten het dorp om te bidden op een heuvel (die de berg van Moses simboliseert) en om een speciale preek aan te horen van een soort onder imam. Wederom was iedereen in het fijnst gekleed en de locale Fon reed op een vrolijk versierd paard begeleid door muziekanten en z'n parasol drager. Toen waren er paarden races en na afloop ging iedereen die het zich kon veroorloven naar huis om een ram te slachten, en de rest ging ook naar huis om vlees te ontvangen van hun rijkere familie leden wat een must is omdat er voor islam niets beters is dan schenken aan de armen, zeker als het je familie is (het hele dorp dus) en zeker als het feest is, good stuff. Ik sliep in een eenspersoons bed met de neef van mijn gastvrouw die erg aardig was maar op z'n zijftiende nog niet kon lezen ookal zat hij op de middelbare school, een geweldig voorbeeld van het niet functionerend onderwijs systeem hier in Cameroen, weet zeker dat er genoeg illiteraire generaals en ambtenaars rondlopen die op hun pozitie zitten enkel omdat ze uit een rijke famillie komen. Met een lach en een traan nam ik toen afscheid van deze vriendelijke zielen en daalde in een vlucht van de bergen af en die avond vlogen we in een reuzachtige bus met rijen van vijf stoelen terug naar Douala. Het was niet onprettig weer terug in het blauw bedeurde hotel te zijn waar ik een maand eerder ook had vertoeft en ik liet me de neugten van de stad goed smaken. De laatste dag in het duistere hart van Africa liet ik me verdwalen in de uitgestrekte markt vol pannen en sinasappel verkoosters en ook donkere hoekjes waar terughoudende vrouwen allerhande middeltjes en poeders verkochten gezeten tussen netjes opgestapelde torens doosjes en flessen, manden met wierook, vreemde zwarte bolletjes kruiden en rode aarden ballen. Langs reuzachtige zilveren vissen met bolle ogen en smakkende lippen kwam ik en stuite op de jungle dieren hoek waar krokodillen, een reuzachtige varaan, schildpadden en een soort gordeldier muis achtige wezens in grote getalen in netten een mizerabel bestaan leefden opweg naar de pan. Voor het laatst at ik echte pittige rijst met pindasaus tussen de varkens kotten waar rood gekleurd water door de stinkende goten stroomde en de langharige varkens met roze neuzen mij veel vriendelijker voorkwamen dan de onbeschofte kooplui. De kleur van de straat speelde in mijn ogen, de uitgelatenheid van de mensen, het wilde gevoel, de zwang van Africa was alles daar, ik genoot, ademde en was. De nacht kwam en ging, ik was opweg naar Egypte. Ik ontbeet nog voor de deur op een gammele houten bank, afrikaanse oliebollen met bonen en witte pap en racete toen naar de luchthaven in de warme zweterigge ochtendlucht. Honderd karakteriestieke uitdrukkingen, bruine gezichten niet wetend wat hun noodlot zal brengen maar doorzwoegend. Verstrikt in een hopenloze situatie in een land verstikt door de corruptie, geboren in een land zo rijk van nature, maar geen mogenlijkheid om te ontsnappen aan zijn eigen wurggreep. We vlogen over de woestijn, over Ouagadougou, over de Niger. Uitgestrekte bruine vlakte tot over de horizon. Een verbiddend landschap van stof en steen getekent enkel door de vormen van het zand dat zich telkens anders heeft opgehoopt. Ineens kwam het ten einde, een breuk, een klif, drie linten van de schoonste gele duinenrijen en dan de bergen. Daar lagen voor ons de pieken van de hoge Atlas, de toppen in reine sneeuw gehuld, het landschap verstild en in rust, stromen die zich ruig door het gebergte braken en uitvloeiden in de landen erachter. Boven al dit schoons rees nu de volle maan en kleurde het hemel gewelf roze paars met het laatste licht van de ondergegane zon. Toen doken we door de wolken en waren in Casablanca, ik was weer terug bij waar het allemaal begonnen was, in Marokko. Nu bleef ik echter niet en na zeven extra-psychische uren in de space zone die Casa airport was vlogen we weder de hemel in, zwevend op de golven van de nacht en sliep ik zacht over drie stoelen in een half leeg vliegtuig. Toen het licht werd vlogen we over nu grote wijde duinen met af en toe een zwarte tent en een geitenpaadje door het zand. Gauw werd het groener en toen zag ik ze. Op de rand van de woeling van de stad, omarmd door de huizen stonden de drie stenen reuzen, eeuwig en onoverwonnen. Scherp en duidenlijk in de schemering van het pre-zonsopkomstelijk licht. Ik was zoo ontroerd, geraakt door deze droom die ik nu werkelijk onder mij zag, Oh man, oh wat zijn jullie ongeloofenlijk mooi en krachtig, Piramides van Giza. Ik werd recht de chaos van Cairo slingerd maar ervoer het niet als onprettig, een gigantische maar niet overweldigende stad. Er heerst een soort orde en het voelt alsof er over nagedacht is. Hoe rijk lijken nu ineens de hoge huizen, de viaducten en de stoepen. Ze hebben zelfs stadsbussen en een metro, wat een innovatie! Een rustig hotel vond ik in een echte volksbuurt met een balkon met withouten luiken dat uitkijkt op de straat vier verdiepingen lager waar felverlichte tuktuk's rondkarren, de was uit de ramen te drogen hangt en af en toe een paardenkar voorbij komt beladen met velen rinkelende belletjes. Ik heb Cairo verkent en genoten van de culinaire rijkdom. Godelijke falafel voor 15 cent, Verse vruchtensapjes voor je neus geperst, echt brood, goed water gewoon uit de kraan, feta en olijven, yesss! Gisteren was ik ik het Nationaal muzeum en verwonderde me over de kollosale stenen beelden en pilaren van Achnaton en Ramses II, verbaasde me over de enorme stenen tombes met hun massieve deksels, vergaapte me aan de schone gekleurde hyrogliefen en de duizende fijngemaakte beeldjes. En dan was er Toeth-Ank-Amun, de zoon van de zon. Simpelweg gehypnotiseerd was ik toen ik in het gouden gezicht keek, in bliss gezeten tot hij diep in mijn ziel doorgedrongen was. Er spreekt zo'n goddelijke vrede en volmaaktheid uit van die ogen die op de andere wereld gericht zijn. Ik weet, het is een masker, maar de volmaaktheid die de kunstenaar die het gewrocht heeft erin heeft gelegd is werkelijk betoverend. Dat onze menselijke cultuur zoiets heeft voortgebracht vind in wonderbaarlijk en vervreemdend tegelijk. Zoveel goud verzameld uit de rotsen, zoveel uren spendeerd in het vervaardigen van de drie gouden sarcofagen en de tientallen gouden en glazen sieraden van eindeloze rijkdom. Wat een cultuur, zo lang geleden al, wat een waar wonder. Zo was ik weer tussen de Arabiers en leer ik wederom hun intrigerende tong. 


