zondag 28 juni 2009

28.Namaste

En dan nu, de fotospecial, met extra veel plaatjes voor het begerig oog. Twee dagen lang sudderen in een zuidindiase trein laat je er uitbreken in een manie van plakkerig zweet, stof en aangekoekt vuil dat je er enkel met minstens twee keer mandi-mandi-en afkrijgt. Het was een eindeloze rit geweest van nodeloos wachten in the middel of nowhere waarbij ik mij telkens als dit voorkwam een weg naar buiten wurmde om samen met de andere mannen onder de schaduw van een boom te gaan zitten of op de rails om wat op mijn fluit te blazen, zie ginds komst de stoomboot, de torenspits van zltbommel, de lambada en zo meer. Dit had als bijwerking dat zich al gauw een dichte haag van toeschouwers verzamelde die zelfs het laatste zuchtje wind wegnam waarvoor ik nu juist naar buiten gekomen was zodat ik mij dan weldra weer naar een andere locatie verplaastte waar het hele proces zich dan weer van vooraf aan afspeelde. We reden door de verschroeide vlaktes van centraal India waar de verzengende zon met de cepter zwaait en het een wonder is als je meer dan een paar huizen bij elkaar ziet staan. In het station van Patna haalde ik deze keer zonder problemen Wanda van de trein en zo fietsten we algauw richting busparkeerplaats. Wat toen volgde is niet echt het vermelden waard maar het was een opeenstapeling van botsende bussen, ongewillige hoteleigenaren, stakingen en stroomuitval die ik enkel overleefde met de hulp van een engel op een fiets vermomd als een jonge bruinen jongenman. Het terugkeren in Nepal voelde een beetje als het vinden van en eenzame pinda op de bodem van mijn tas, een gebeurtenis die mij immer grote vreugde inboezemt. Het leek er wel niet veel veranderd aan de buitenkant, maar de littekens van de afgelopen vijf jaar worden vooral gedragen door de vriendelijke bewoners van Kathmandu zelf. De jaren van een dictator van een monarch, maoistiesche rebellen en een in en in corrupte regering hebben diepe sporen nagelaten in de Nepalese sameleving. De voedingsmiddelen die de mensen het meest gebruiken als rijst, dahl en melk zijn soms wel vijf keer zo duur geworden. Water is schaars en stroom onberekenbaar terwijl er in Nepal grote wilde rivieren stromen met heerlijk schoon bergwater. En wie is het die hier het meest onder lijd? zeker niet de politicie in hun burgten van huizen die je van muren en posters toe grijnzen met hun vette koppen. Het zijn de mensen onderaan de economische schaal die hun kinderen het centrum in sturen om te bedelen waar ze s'nachts vuil en grijs op de betonnen toritoirs slapen in groepen onder de bedwelming van de lijm die zij in plastic zakjes bij zich dragen. Thuisloos als ze zijn, na een hopeloze dag niet genoeg, nooit genoeg hebben opgehaald en bang zijn om weer naar huis te gaan met kans op een aframmeling. Dit is een werkelijkheid van Nepal, maar gelukkig zijn er ook mensen die hier iets aan proberen te doen. Zo is er een tehuis gerund door een vrouw genaamd Amma bekend als het 'Hopefull home for helpless children' waar ik vroeger ook ben geweest, om te helpen met het maken van huiswerk of het bedenken van spelletjes voor de kinderen. Inmiddels hebben ze een veel mooier en groter huis gekregen aan de randen van de stad tenmidden van de groenen rijst en kolen velden onder de wakende hoede van de bossige groene berzijden. De kinderen van toen nu veel groter en geschoold, en ik? Mischien een beetje kleiner geworden of enkel ouder. Meteen het eerste weekend in Kathmandu werd ik uitgenodigd voor een vage trance gathering ergens in de bergen en ik besloot te gaan al was het enkel voor de ervaring. Ons meetingpoint was Freak street, nabij de oude tempels en paleizen van Kathmandu, op een hoek bij de Bio-shop. Het duurde een tijdje voor alles geregeld was en dus verzamelde zich langzaam een kleurige groep chillende freaks met wie ik al trommelend en fluitend de zonnige namiddag passeerde. Toen alles compleet was liepen we met ze allen naar de microbus waar we ons met z'n 25 inpropten en gingen opweg. Voor we goed en wel het beige stof van de stad achter ons hadden gelaten was het in middels zonsondergang en na een poosje klommen enkelen van ons op het dak voor een wervelende rit. Toen we even pauseerden danste ik daar sky high op de frisse berglucht en de euforie, crystal clear. Toen, een lekke band en dan een weirde eetstop waar iedereen massaal aan de Dahl Baath ging, maar ik verkoos mijn yoga als geestelijk voeding. Daar zag ik de laaste vallende sterren, rood opgloeiend in mijn innerlijk universum, en de wonderen van het wanderende leven. De bergen, zo bewerkt door mensenhanden, de rijsterassen hoog boven mij uitstrekkend. Toen, terug in de bus voor een duizelende rit full power over een smalle bergweg. Dude, dit is trippy, ik denk niet dat ik ooit zo speecend in een voertuig heb gezeten. Het hele heelal kwam door de bus heen, en gooide mij van mijn koers op een goeie manier. Dan, eindelijk waren we er en het was een wonderschone plek. Onder ons stroomde en wild bruisende rivier in haar wilde bedding, rondom ons waren de duistere bergen en in het hemels zwart was inmiddels de bijna volle maan verschenen die ons vriendelijk toelachte. Ik voelde de aarde en was er. Helaas was de muziek mij veel te base, enkel de onderste chakra's stimulerend terwijl ik juist van boven overstroomde. Dus ging ik maar aan de verstilde weg zitten, op het grijze steen en mediteerde tot het eerste licht van de zon zich weer vertoonde aan de heldere hemel. Ik voelde mijn hele lichaam, van binnen. Elke spier en fiber in gewaarzijn en afstemming. In die rust, is het enige dat ik nog behoef yoga. Innerlijk vrede kan enkel bereikt worden waneer er eerst vrede is met het lichaam. Toen de gouden zon ons weder met zijn gouden licht betaste daalde ik af naar de schoonheid van de grote rivier en verwonderde me over haar pure pracht en weelde, deze gift van moeder aarde. In haar vloeibare lichaam bereikte ik de ultieme frisheid en was klaar voor een nieuwe dag. Ik bevond me in een van de schoonste valeien van de Himalaya en besloot dus maar eens een goeie wandeling te gaan maken. Ik liet de blowende en chillende feestlieden voor wat ze waren en stuurde mijn voeten richting de hoge bergen van de Bhote Koshi. Het verstilde dorp dat nu ontwaakte met het dreunen van de base was een sureaale gewaarwording. Mensen in grauwe simpele kleren die bundels hout of zakken rijst met banden over hun hoofd droegen. De kinderen met piekerig haar die maar eens kwamen kijken wat die vreemd buitenlanders nou aan het doen waren daar de hele nacht. Ik kan het aleen maar met hun eens zijn dat het een vreemd gebeuren was op deze bijna heilig natuurlijke plaats, ontaardend. Ik liep, en liep, soms naar beneden, maar voornamelijk omhoog, langs plekken waar mensen met hamers en wiggen platen gekleurd leisteen uit de rots aan het bikken waren en die dan door kinderen naar beneden lieten dragen om te verkopen aan de weg. Ik kwam door gemanikuurde dorpjes, maar niet op een burgelijke manier, waar bloemen over de balkons groeiden en de bewoners duidelijk plezier hadden in hun leven. Is het mischien de armoede barriere die hun, ookal hebben ze niet veel, toch laat genieten van wat ze hebben in dankbaarheid? De bergen ook maar proberen te raken met woorden zou een daad zijn van pure arrogantie en zelfoverschatting. Overal waren terassen en mensen die aan de overkant van de diep gesneden vallei met buffles hun landjes aan het ploegen waren. Al gauw kwam ik in de Boedhistiesche gedeelten waar de vrouwen vrolijk gestreepte schorten dragen en gebetsvlaggen over de huizen en tempeltjes wapperen. De hele dag liep ik en kronkelde door de grote vallei, nog lichtelijk in de waas van mijn droombetovering, zulke ongeloofelijk oude dingen, mensen, een groep schoolkingeren in uniforms die mij een heel stug vergezelden en wie ik de engelse woorden leerde van de dingen om ond heen: Bus, river, bag, road, hair, hydroelectric dam etc. etc. Er was een plek, waar de vallei een scherpe buiging maakte, waar in een arm van de rivier, een grote grote bodhi boom groeide, in verstrengeling met een kolosaal rotsblok, er geheel omheen groeiend. Een Shiva shrine was er onder, en ik voelde dat ik daar zijn wou. Ik werd toegelaten door een vrouw die er gras aan het maaien was met een korte cikkel en zat op de grijze stenen platen. Zo'n krachtplek dit, en ik liet er de tranen van de witte woestijn zwart naar de aarde rollen. Daar ligt het nu, in een stralende bol van energie, toevoegend aan wat daar al was, een monument van energie, lichtend voor de eeuwigheid op het veld van Akasha. Aan het einde van de dag bereikte ik het beloofde oord Tattopani, of terwel heet water, waar ik een houten hokje aan de rivier vond met uitzicht over de beboste helling. Ik liet mij in het hete water van de bron weken en was toen zeker klaar voor de nachtrust. Volgende dag, op het dak van de bus terug naar Kathmandu, de laatste tien kilometer te voet vanwegen de Maoistische staking wat inhoud dat gewoon geen enkel voertuig het moet wagen te bewegen of anders zal de met stokken en palen gewapende meute wel eens even je ruiten en koplampen komen uittesten op breekbaarheid. Toen begon het visa gebeuren. Ik was hier naar Nepal gekomen om te proberen een nieuw Indiaas visa te bemachtigen en dat is niet zo makkelijk. De eerste morgen was ik bij de poort om zes uur en na drie en een half uur wachten werd ik dan uiteindelijk geholpen. Ja, je mag over een week terug komen, we gaan eerst chekken of je geen crimineel bent. Okee, dus ik ging eerst maar eens wat de heuvels rond Kathmandu in, oh ja, en een beetje naar Bodhnath hier beter bekend als Bouddha, de grootste stuppa in Nepal en altijd een mooie vredige plaats om te zijn. Met wanda rolden we er heen, waren, zagen de boeddistische monniken die aan het zingen waren in het klooster aldaar, versierd met schitterende mandala's en thanka's. Toen, bij de uitgang terwijl ik Wanda aan het losmaken was stond daar een Taxi aan wie ik voor de grap vroeg of hij haar niet wou kopen. Hij nam dit echter serieus en aarzelde niet mij de gevraagde 5000 ruppees te overhandigen en bood mij ook nog aan me af te zetten bij de tempels van Pasupatinath. Zo zag ik een half uurtje later Mijn vertrouwde tweewielster vaarwel in de achterbak van een kleine witte Maruti en was het verhaal af. Het geld was voor het Hopefull home aan wie ik haar eigenlijk had beloofd, maar aan fiets kan je niet eten, en sinds er zo'n 400 euro aan reist per maand door heen gaat daar dacht ik dat ze het geld beter konden gebruiken dan Wanda. Bon, ging dus wat de heuvels in om te trainen voor mijn geplanden renddevous met Anita en wandelde enkele dagen in de heerlijke heuvels tussen de sparren en dennen. Nagarkot was mijn bestemming en ookal was er nu, vanwegen het stof in de lucht geen berg te zien, het mocht de pret niet drukken. Op de terugweg kwam ik weer door Bakthapur wat een oude, geheel autoloze stad is van geheel opgetrokken uit rode bakstenen. Het stikt er van de tempels en baden, pleintjes en heilige hoekjes en mensen zitten gewoon op hun drempel omdat het een prettige plek is om te zitten, zonder al dat verkeer. Wat een heerlijhkheid, kinderen spelen op straat, oudjes zitten op verhoogde platform in de schaduw, het is er stil en de lucht is zuiver, zouden ze overal moeten doen, vooral in verstikkend Kathmandu. Anyway, terug in Kath ging het visa verhaal verder en op m'n verjaardag zou ik het dan echt krijgen. Maar helaas had de ambassade in Nederland niet geantwoord op mijn boemanbrief en dus mocht ik twee dagen later weer terug komen, voor de derde keer om zes uur s'moreges. Mijn verjaardags dag was echter geweldig. Ik had weer twee vrienden ontmoet die ik al kende uit Israel van de Walk About Love en met hun at ik Appelkruimel taart en ik kreeg wel drie kadootjes! Als omgekeerde traditie bliesen we geen kaars uit maar stakan we er een aan, veel mooier vind ik. Er was nog 1 dag voor dat mijn Nepalese visun af zou lopen en dus ging ik naar Swayambunath, de stupa op de heuvel vol apen en met duizenden gekleurde gebedsvlaggen die in dikke trossen over de heuvels vol grote en kleinere stupes gespannen zijn. Zo een mooi gezicht is het om daar onder te zitten en het geluid te horen van de wind die er zachtjes doorheen suist. De dikke sparren met hun donkere takken, het geluid van twee jonge monniken op de achtergrond die op hun lange alpenhoorn achtige toeters aan het oefenen waren waar een enorm geknetter uit kan komen. Onder de rustige ogen van de boeddha die over de vallei uit kijken wat ooit een meer was, enkel geledigd, zo vertellen de mythen, omdat Shiva met zijn degen de rotsen kliefde aan het zuiden, en werkelijk, hoe kon het minder waar zijn?
Ik kreeg mijn visa en maakte me nog die zelfde avond uit de voeten. In de bus, in de file, voor vijf uur, slapend op het dakrek. Eindeloze slierten gekleurde vrachtwagens langs de weg, en vrolijke lichtjes van binnen. Het werd fris en dus nam ik weer een stoel maar toen het licht werd ging ik snel weer naar boven om de schoonheid van de mist te aanschouwen die als een zachte deken in het dal hing onder ons en de scherpe kloven vol tuimelende rotsblokken in de groene wand aan onze linker hand. We bereikten de vlakten en reden door de bossen van Het Chitawan park tot we de grens bereikten. Daar regelde ik samen met een Israelische broeder een rickshaw en kruiste de frontier met India. Wonderbaarlijhk was het hoe, zodra we de poort onderdoorgelopen waren die; 'Welcome to India' las, de chaos begon waarvan ik bijna vergeten was dat die zo intens was, hier, in India. Staan in de bus, gepropt in de trein, kinderen vrouwen opgestapeld slapend in het gangpad, rochelende mannen tot zo'n extentie dat je gelooft dat ze het er om doen. Het was me iets te veel en dus dook ik de trein uit in Lucknow voor een tweedaags verpozen aldaar. Ook daar was het gekte, en hitte, maar tenminste had ik er een plek om me thuis te voelen, in een guest house met een waard van de indiase maffia die mij sterk aan een kruising tussen Elvis, Cry Baby en Donny Brasco deed denken, maar uiteindelijk erg vriendelijk bleek. Toen ik Lucknows rivier, grafmonumenten met extreme hoeveelheid heldergekleurde exuberante kroonluchters en wasghat voldoende in mij had opgenomen zette ik mij reis wederom voort naar het voorlopige keerpunt, Delhi. Ook dit voelde een wat als terug thuis komen maar dan meer alsof alles is omwonden met een suikerspin rag van vettige vingers en oud zweet. Weer bemachtigde ik een kamer in het afthanse hotelfenomeen Navrang en spendeerde de eerste twintig minuten in mijn kamer met het ontwaren van de talloze aandenkingen en rotstekeningen die vorige bewoners op de muren hadden achtergelaten zonder schaam of schroom. Delhi, in afwachting verblijf ik. Nu is het enkel nog een avond voor ik vermoedelijk mijn verwekster hier ga weerzien en het is een aparte ervaring. Ik voel me niet bijzonder, maar wel heel vredig bij de momenten van innerlijke weerspiegeling waar de middaghitte mij toe gemaard. Het is de ademhaling waar de hele binnenste galaxis omheen draait, en ik vind het heerlijk er steeds meer mee te versmelten en het te zien zoals het is. Laat al het andere maar voor wat het is. Ken je dat, dan ken je ook al het andere wat er omheen is opgebouwd. Het is zo simpel, het simpelste wat er is, maar steeds, maken wij, het zo moeilijk.... Namaste

woensdag 17 juni 2009

27. Het Neusje

Lang verwacht maar niet gebeurt, hier dan episode 27. Kochi was een heerlijke tijd en ik dwaalde tussen de resten verkruimelende kolonialiteit en reuzachtige groene overschaduwende boom reuzen die alle straten lijnden. Ook was ik bij een nabij strand vol volledig geklede zwemmende indiase toeristen maar werd algauw verdreven door de overdadige hoeveelhijd regen die er plotseling uit de hemel kwam zetten, jawel, de monsoon is begonnen. Wat u hier rechts van u ziet is een ware Kerelaanse lekkernij wel bekend als een Dosa of een roast en is een knapperige pannekoek van reistemeel. Het oranje sausje heet Sambar en is een pittige currie, het witte goedje staat bekend als chutney en is een zacht koele saus op basis van geraspte kokos en peperkorrels. De lepel die hier op de foto te zien is is puur voor decoratie, die word nimmer gebruikt, enkel de rechterhand is als eetgerei toegestaan. Dit was vrijwel dagelijkse kost zolang ik in het zuiden van india verbleef.
Goed, van Kochi nam ik de boemel trein naar Kottayam om nog die zelfde middag van ergens achter een politie uitpost in een haven een boot te scoren richting Alappuzha. Er was een lichte miezer die hier enkel als verfrissend werkt. Het gehele wateroppervlak was bedekt met een dikke laag reuze waterhyacinten in paarse bloei waarover een menigte van kleine wit-beige reigertjes heen en weer wandelden op zoek naar een verscholen hapje. De boot starte de motor die open en bloot in het midden van het vaartuig gemonterd was, een soort oer rondvaartboot van hout en begon zich een weg te ploegen door het groene vloeibare landschap. We voeren door de binnenwateren van Kerala, door de ondiepe kanalen die soms bijna overstroomde als wij er door kwamen, aan beide kanten slechte geflankeert door dunne meterhoge dijkjes waarachter zich eindeloze uitgestrekte reistvelden uitstrekten, nu ondergelopen door de regen, waarin waterbuffels zich ernstig thuis voelden met buffelpikkers op hun rug en al, soms enkel hun gebogen hurens en zwarte kopen boven het oppervlak uitstekend. We voeren en meerden soms even aan bei een eilandje in deze water landen waarop een of twee huizen stonden, nu afgesneden van de rest van de wereld, de plekken waar wij onze passagiers ophaalde, op weg naar de markt, of de buren. Toen verschenen er ineens een heleboel grote deluxe vila boten met rijke opvaarders die op hun veranda met tv en air-co aan van de natuur aan het genieten waren en waarachter locale vissers in hun kano's meeliften opweg naar huis. Een wijd meer en dan waren we in Aleppy, in het midden van de groente. Vrijwel meteen werd ik opgepikt door een man met brommer die mij naar zijn huis mee nam en mij daar een kamer gaf me vreemde barok/romance achtige plaatjes van halfnaakte bosfeeen op schommels. Ik vond het alang best en knoopte mijn klamboe op en genoot van de geluiden van de jungle om mij heen die door de open ramen naar binne kwam stromen. Ik vond een boek genaamd 'Three cups of tea', en sloeg het open waarbij er enkele pagina's uitvielen en een hoop zand op mijn buik landde, dit boek had duidelijk al een verhaal te vertellen opzich. In de morgen liep ik maar eens richting het strand en vond een stralend witte katholieke kerk nabij de branding in Portugese stijl die herinnerde aan de dagen dat de Europeanen hier vochten met de locale regeerders en hun driemasters voor anker legden voor deze kusten op zoek naar de rijkdommen van de binnenlanden. Een bijna lege loods waar de mensen van 2009 op blote voeten achter archaiesche maschines zaten en op trapkracht katoen spinden tien rollen tegelijk. Wel handig als de trroom het meer dan de helft van de tijd laat afweten, dat wel, maar wat een leven. Over het echte strand liep ik waar vissers hun netten repareerden en de grote oceaangolven op het zand beukten. Waar een stenen dijk deed herinneren aan de tsunami die hier heeft toegeslagen. Dit was ook erg merkbaar toen ik nog wat zuidelijker in Amma's ashram was, waar alle omwonenden er zo de pest in leken te hebben. Ze hadden al zo wijnig, en ook dat werd hun ontnomen. Waarom gaan ze dan ook direct aan het strand wonen vroeg ik mij af? Maar ze hebben nergens anders om heen te gaan, geen land, geen fortuin, zelfs geen hoop. Ze voelen dat ze zijn overgeleverd aan hulp van buitenaf, die, nadat de mediahype over was, even snel terug trad als het ziugende water van de reuzen golf. Ik voelde me heerlijk in de ashram, steeds, ik voel me er zo op m'n gemak en in de vibe, zo rustig en waarachtig. Ik leerde er bio-dynamische compost maken met een zon-gebruinde Californier en we mixten koeievlaai en GFT en hooi en bladeren en takken maakte er een heerlijke ultra biologische taart van vol dikke hongerige microben en bacterien en schimmels en meer van dat soort types van wel een meter hoog. Amma was er niet maar zoals een van de baba's zei 'het maakt niet uit, ook zij is tijdelijk, de ashram is waar het om gaat'. Een soort spirituele composthoop is het, een plek van transformatie. Ik was daar enkele dagen en trok toen verder naar het zuiden en spenderde en vreemde nacht aan het strand van Varkala in een Bamboe hut die evenzo rook op een hoge klif en deed mijn yoga op het muffige bed. Dan verder naar Thiruvananthapuram, de hoofdstad van Kerala en een chaos op zich. Maar het had toch wel wat, onder andere een treinstation waar ik de volgende morgen de trein nam naar het neusje van india, Kanyakumari. We reden langs schoone ronde half begroeide graniet bergen grijs en bruin en daar voor, reistvelden met daarin de uitzaai vakjes waarin de ongeloofelijk groene sprietjes van de nieuwe reist in golven wuifden in de wind gecreerd door de drukgolf van onze locomotief. Het neusje, het heerlijke eindeloze eindje. Kaap Comorin en de drie zeeen die samenvloeien daar. In het miden van dit al staan enkele rotsen in de woeste branding waarop een beeld van meester Thiruvannalar en een rode tempel van heer Vivekananda staan met prachtig in zwart graniet uitgebeitelde figuren bestreken met wit poeder. Ik liep over het strand, het spectaculaire strand van geel, rood, grijs, wit, bruin en zilveren zand dat glitterde en in vlammen en figuren door de golven werd uitgespreid. Ik ontmoette een jonge Babba op straat met een vrolijk gekleurde fiets die bij de naam Pagal Baba ging en mij meenam naar een overhangende richel aan zee waar enkele beelden en lingas over de horizon uitkeken. We hadden een prettige converzatie en ik voelde me erg aangenaam in zijn aanwezigheid ookal had hij nog een hoop wild vuur in zich. Toen was er weer de trein die op mij wachtte en ik speelde op mijn 20 ruppee fluit bij het open raam waarachter de zon verdween achter de bergen, nu van de andere kand gezien, en we net voor het donker door een eindeloos veld windmolens reden, zeker tienduizend van velerlei soorten die de wind vingen die tussen de bergen door kwam. Zo kwam ik aan in Madurai en vond een kamer in een hotel dat ook als aleenstaande mannen huis diende zodat het er altijd gezellig vol was. De tempel van Madurai is groot en kleurig en heeft vele torens volgestapeld met beelden van mannen en vrouwen met dierenkoppen al dan niet naakt, gespiest of in een of andere vreemde houding, demonen en bloemen en hun bijbehorende rijdieren, slangen en wapens. Daar loop je dan onderdoor en kom je in de gekte van al de mendsen die hun eer moeten betonen aan elk beeldje, want je zou toch niet willen dat je een van die vurig ogende tiepes ontevreden stelt. Ook de olifant was present die mensen over het hoofd aaide voor een muntje als zegening en het blonk van het brons en goud. Maar ergens achter, weg van al deze overdaad en drukte, stond een enkele lingam in een hoekje waarbij een vrouw trouw puja aan het doen was. De rook van de brandende stokjes kringelde omhoog en lichte op in een enkele streep blauw zonlicht die van boven kwam om op de stenen vloer uiteen te spatten in een bron van celestijnse hemeligheid. Bergen oude bloemen en offeringen lagen ergens in een hoek geveegd te verotten. Ze goot melk en water over de stenen elips en waste hem zo zorgvuldig. Zo bijzonder vond ik het, voor haar is er absoluut geen twijfel. Dit is geen steen, dit is een levende god, en dient zo behandeld te worden. Het boterlampje brande in stilte, een man zat in lotus op de grond. Dit is india, zo oneindig, voortdurend.
Vrolijk op mijn fluit spelend liep ik door de drukte van de stad en kwam daarbij door een markt die in een reuzachtige tempel opgezet was met intens versierde pilaren waarvan er sommige gewoon hele beelden bevatten die dan ook weer aanbeden werden en vol gesmeerd waren met rood en geel poeder en waar wierook voor brande. Het was zo een bizarre combinatie daar, die hyste van plastic en verkoop drang, een heel stuk waar de naaimaschines door ratelde, en dan keek je omhoog en dan waren daar die fijn uitgehakte dieren en demonen koppen en dikke stukken oeroud steen. Terug bij mij guest house terwijl ik de trap beklom zag ik uit het gat in de muur dat als raam diende de oude vervuilde thirthank, het heilige bad voor de deur dat nu totaal omheint was door een roofbou van hutjes en winkeltjes die alles uiteraard in het water dumpten. Nu niet zo heilig meer, enkel nog een paradijs voor muggen die zich op het zwarte water lieten drijven tot hun tijd van voerangeren gekomen was. In een dag van bussen en treinen en een heleboel stof geraakte ik in het dorp genaamd Chidambaram naar de gelijknamige tempel aldaar. Ik was speciaal naar hier gekomen omdat ik gehoord had dat dit een plek is waar de Nataraj vorm van Shiva centraal staat. Hier word hij gezien als de gene die met het stampen van zijn voeten met het dansen het universum in beweging heeft gezet en houd. Deze vrolijkerd trekt mij wel aan en dus bezocht ik zijn 'hometown'. Het tempelcomplex is gigantish, nog veel groter dan in Madurai en bevat meerdere grote tempels en een groot bad en pleinen en deed mij wel een beetje denken aan Karnak in Egypte. De oude zuilen galerijen hier nog in gebruik, de daken niet vervallen en de beelden niet vekocht aan musea maar vereerd met kaarsjes en gebeden. Het is zo spacend van India, de levende oude cultuur in beweging. Maar ook in afbraak. Zo zijn er nu nog maar weinigen van de jeugd die echt iets van een spirituele opvoeding krijgen die in oude tijden een standaard deel was van het leven en de hele maatschappelijke structuur in stand hield. Een leven van de eerste twaalf jaar als kind spelen en ontdekken, dan twaalf jaar spirituele en practiesche opvoeding en les van een guru. Dan vierentwintig jaar gevangen in het familie leven van zorgen en materialiteit, dan weer twaalf jaar alleen, maar nu rondzwervend als heilig bedelaar, en dan, wat er nog van je leven over is, weer samen met je levensgezel, maar nu niet in een familie situatie maar enkel als elkaars wederhelften. Zo was het, en dat werkte duizenden jaren lang. Bij het avond Puja in de tempel werden de twee kerkklokken geluid die daar midden in de hal stonden en een rek met vele kleine belletjes er op werd ook met vol entausiasme heen en weer geslingerd. Meerdere grote kandelaars met vele pitjes werden voor de onzichtbare Nataraj gewoven (hij was zo dik onder bloemkransen bedekt dat je enkel nog een gouden neus zag als je goed keek) sommige zo groot dat ik werkelijk dacht dat ze de hele boel in de hens gingen zetten, maar het ging allemaal goed en op het einde kreeg iedereen wat heilige as toebedeeld dat op het voorhoofd werd gesmeert. Dwalend ook nog de volgende dag en me vergapend aan de ongeloofelijk versierde richeltjes en randjes in zo'n mooie harmonieuze stijl die wel met de natuur lijkt te willen blenden maar toch ook heel karakteristiek menselijk is. Het was er soms stil en dan weer vol bedevaart gangers, er waren vele baba's en in het wit geklede pundits en swami's en overal waren weer kleine hoekjes met een lampje of een plaatje of een beetje rode veeg. In een andere zijtempel was alles bedekt met de mooiste kleurge figuren, zowel in oude natuur kleuren als in gloeiende dayglow. Grote mandalas op de oude gladgelopen stenen gekalkt en pilaren bedekt met verf van de eeuwen. Wat een wonderlijke plek, zeker toen de Swami mij vroeg op mijn fluit te spelen en de zachte tonen van de hyme of the Fayeth tussen de oeroude muren van de tempel weerklonken. Ik was zo ontroerd en stil dat ik niet wist wat nu nog te doen. En ging dus maar zitten voor een stenen uitvoering van de Sri Yantra en speede wat mijn hart me ingaf. Omhoog langs de kust richting Pondychery, de oude franse colonie waar alle straten ineens in het frans genaamd waren. Hier deed ik niet moeilijk en nam maar gewoon een kamer direct naast het busstation om de volgende dag Auroville te bezoeken. Deze droomstad gebaseerd op de ideeen van Sri Aurobindo en The Mother was eens een expiriment op een dor plateau, maar is in de afgelopen dertig jaar verworden tot een groen paradijsje vol vruchtbomen, vogels en zongebruinde types die in zo groot mogelijke harmonie proberen te leven, alles centrerend om een Banjan boom en een grote gouden bol. De boom stond er eerst, de bol is het spirituele centrum van de stad in wording. Ik liep de gehele dag rond onder de bomen schaduw en bekeek hun zonne keuken die met behulp van een grote zonneschotel stoom produceert om voor duizend man te kunnen koken. Ook genoot ik van hun Auro water dat gestraald en gezuiverd is en leeft en erg gezond behoort te zijn. Bij terugkomst in Pondy had ik de meest ongeloofelijke ontmoeting met een fietsrickshaw rijder die mij, omdat ik er nogal armoedig uit zag, zijn zuurverdiende geld wou geven. Ik kon dat niet accepteren maar na lang aandringen dronken we samen een mangosapje op zijn kosten en gingen toen ons eigens weg. Wat een wonder, een engel van een man, wat een schat, moge hij voor eeuwig gezegend zijn. In de late ochtend arriveerde ik voor de tweede keer in Thiruvannamalai en was wederom thuis, voor twee dagen. Weer de brilliande dosa van de dosa kar op het plein. De tempel in voor die ene plek waar een afbeelding hing van Yogacharya, een prestorische verlichte monnik en wijsgeer, maar ontdekte dat er nu een grote plasic spandoek van een of andere andere god voor het altaaar hing, duidelijk gesponsert door de bank voor Jong India. Jawel, zo dringt het commerciele wezen dus de tempel binnen. Het stormde die avond maar de volgende dag was het weer helder en liep ik de 15 kilometer om de heilige berg Arunachala waar nu honderden lui standjes aan het opzetten waren voor de menigte van de avond, want, zo bleek. Omdat he volle maan was waren er vele mensen die om de berg gingen lopen. Wel een stuk of 500.000 in de twee nachten daar op. Mijn hotel was direct aan de straat waar ze langs kwamen en de gehele nacht liep er een stroom van mensen voorbij, allen op blote voeten! Een oneindige stroom was het die vrij stil liep voor indiase begrippen, wat een wonder. Weer veerliet ik echter Thiru sneller dan gewilt maar met een reden en het was ook goed zo. De heilige hoogtes van Arunachala werden steeds kleiner door de achterruit van de bus toen we ons eenmaal een weg gebaand hadden door de wandelende pilgrims en voerde mij spoedig naar Bangalore.
Bangalore, centrum van gekte en voortspoedende mensen massas, verkeer en verkoop. Het eerste wat ik deed daar gekomen was naar het treinstation gaan want, ik had vernomen dat daar iemand op mij wachtte. Na al mijn omzwervingen was, tegen alle hoop in, Wanda dan toch daar geariveerd en wachtte nu al weer onder een laag stof van veertig dagen in het hok van de pakjesdienst. Na een hoop gezeur over mijn slonzige afhaalbriefje dat in vier rafelige stukjes uit elkaar was gevallen mocht ik haar dan vrijkopen en na haar boeien te hebben afgelegd rolden we al gauw weer door de hete straten.
Het duurde echter niet lang, want al de volgende dag vertrok mijn trein terug naar het noorden en ook dit keer ging Wanda op hoop van zegen mee in de trein tenminste, dat hoopte ik dan maar. Ik sliep een laatste nacht in Bangaore in alweer een dormitorie, het lijkt er wel bij te horen, met box bedden en dikke besnorde mannen in hun witte hemden onder de 'meshmerizende' ventilators. En die nacht, toen ik aan de wandel ging voor een laatste zuid-indiaas maal, zag ik op de voetgangersbrug de maan staan. Wit en rond was zij daar, hoog aan de grauwe hemel. En zij was gekleed in een wit avondgewaad, zacht doorzichtig en met een lichte hint van regenboogschijnsel. Ik probeerde het aan de voorbijspoedende menigte te tonen, maar ze zagen het niet. Al wat zij zagen wat een vreemde buitelander op blote voeten die in de lucht ond te wijzen. Maar ik zag haar, en vond haar mooi, en daarmee weet ik, dat het goed was.

maandag 18 mei 2009

26. Mijn Vuur

Toen de cursus af was was ik heel blij dat ik het gedaan had. Geinspireerd en vervuld besloot ik van de heuvels af te dalen en de Isha Yoga Ashram aan te doen. Zodoende doken we vanaf de koele hoogtes weder de hete soep in van daaronder, een permanente zweem hangt over de landen, een rood oranje gloed van diep doorgedrongen hitte. Goed, na enig wachten in Coimbatore verscheen er een bus met veler onleesbaar opschrift, een ook onder andere de woorden Isha Yoga. Daar jumpte ik in en het landschap vloog voorbij. De bus vol landsmannen, beschonken en paan kauwend, rochelend en luid pratend om over het geronk van de bus heen te komen altijd weer met de vraag; 'Your country?'. Ik vraag mij af, 'wat is het dat het voor hen zo belanrijk maakt te weten waar je vandaan komt?' Is het een vraag naar identificatie, om je te kunnen plaatsen? Is dit iets in de Indiase cultuur, dat je zonder afkomst niets betekend? Op een kruising aan de rand van het bos werd ik afgezet tezamen met nog enkele andere Isha Yoga gasten en liepen we een stuk over een stofweg aan beide zeiden geflankeert door dicht doch droog bos afgeschermd met electrische hekken, tegen de tijgers, olifanten en andere wilde dieren, werkelijk. In de Ashram aangeland werd ik eerst een tijdje van het kastje naar de muur gestuurt maar kreeg een slaapplek toegewezen in de grote open hal waar alle vrijwilligers sliepen en een matras werd later geregeld op de vloer. Wonderlijk was het hoe er wel steeds iemand de Shambhavi aan het doen was wat je kon horen aan het chanten wat ze deden wat soms samenklonk en in de hele hal weergalmde, en de enige connectie was over het schot tussen de mannen en de vrouwen zeide. Ik knoopte m'n klamboe op en was content. Eerst de Shambavi doen, de oefeningen die ik geleerd heb op de cursus, en dan eten. Dat gebeurt daar ook in een lange open hal waar iedereen in rijen naast elkaar op de grond zit en de opscheppers komen dan langs met emmers eten. In stilte word het verukkelijke genoten, maar niet teveel natuurlijk, want het is maar ilussie! Eten echt van superieure kwaliteit. Veel Rauw eten en heerlijke pap en rijst en fruit en zoetigheden bijvoorbeeld eerste kwaliteit dadels gerold in cashew noten en besprenkeld met kokos raspsel, gewoon, als tussendoortje. De volgende dag zette ik mij dan ook met veel liefde aan het werk in de reusachtige keuken die dagelijks voor de duizend plus man en vrouw kookt in zo'n overdaad, het lijkt werkelijk oneindig. Grote stomende ketels op een rij, giga bak pannen, bergen pompoenen, schappen vol kokosnoten, een paar tobbes vol wortelen, komkommer hopen. Wat een feest, met z'n alle schillen en snijden en steeds proberen die focus te bewaren en het alles met liefde te doen, wat een kans. De Ashram is dus midden in het bos maar ontvangt voldoende bezoekers die naar de tempel komen kijken. Het hele terein is constant nog in ontwikkeling en het geluid van de steenhauwers klinkt dan ook tot in het binnenste van de tempel dome. Waar het allemaal om gaat is de Dhjanalinga. Een vier meter hoge zwart graniete lingam met een lichte bom vorm op een voet van donkerbruin steen die een grote opgerolde slang voorstelt. Het water en de melk die over de lingam gegoten word bij volle maan stroomt dan door de open bek door de koperen gifbuis van de slang in een emmer er onder, het teken van geven en nemen. Het geheel staat in een vierkant van water dat overkoepeld word door een twintig meter koepel met een gat in het dak vanwaar een grote gouden schaal hangt vanwaar constant water druppeld op de top van de lingam. Dit word door Sadhguru beschreven als de gedistileerde essentie van de yoga wetenschap. Hij zegt dat het de enige vorm is die permanent een grote hoeveelheid energie kan vasthouden. Het zijn in deze tempel veroorzaakt een meditatieve staat van gewaarzijn waarin spiritueele vooruitgang bevorderd word, en karma opgelost. Het is er altijd warm binnen en stil. Je kan er op de zwarte vloer zitten of in de kleine alcoven rondom in de muur. Alles staat hier in het teken van de slang, die geaccocieerd word met de Kundalini of vitale levensenergie die als een opgerolde slang verborgen licht in de basis van de ruggengraat en door Yoga vrijgemaakt kan worden. Dit is dus een Yoga tempel, en dus vrij voor alle religies. Voor de deur staat een obelisk met de tekenen er van en je word enkel gevraagd respect te tonen en stil te zijn. Ik voelde dat hoe langer ik daar zat, hoe minder er van m'n ego overbleef. Het protesteerde, joeg me er soms weer uit, maar Ik loste langzaam op. Er is daar buiten ook nog de Thirtankh. Een bad diep in de grond met stenen trappen er naar toe waarin een 700 kilo zware gesolificeerde kwik lingam net onder water staat. Nou is hard kwik bij kamertempratuur volgends de wetenschap niet mogelijk maar er word gezegd dat het door middel van lange Yogisch formules en meditaties gedaan is. Het hele bad is van rood koper en zo'n tien meter lang. Er valt van hoog boven een waterval in en het water is een vreemd groen. Je mag er in zwemmen waraan vele helenswaardige eigenschappen toegeschreven worden en is erg gezond zo, maar aleen in traditionele oranje gewaden. Dit word elke dag aan geraden omdat ze zeggen dat als je huid nat is je ontvankelijker bent voor hogere staten van zijn en trillingen. Terwijl ik mijn oefeningen deed tweemaal daags liep ik hier tussen rond in een intense staat van zijn. In rust, maar ook mijn onzekerheden. Wat te doen. Het was volle maan en de Ashram werd overstroomd door bezoekers die bloemen en melk kwamen offeren aan de Dhjanalinga. Ik vertrok met de intentie wel weer terug te keren, maar nu moest ik even bewegen. Dus reed ik weer in de bus terug naar Coimbatore, en verder naar Mettup pallayam waar ik de volgende morgen de stoomtrein wou nemen. In een schattig pension verbleef ik voor maar 100 ruppees en het regende dat het goot. Het regenseizoen vangt langzaam aan, t'is vroeg maar mij hoor je niet klagen, alles om de tempratuur naar beneden te brengen is wat mij betreft goed. Dus de trein.
Stomend en toetend. Overal rook en sissing. Grote bewegende ijzeren stangen en wielen. We vertrokken langzaam tot we bij de voet van de bergen kwamen, en toen ging het nog langzamer. Jij klaagt als de trein niet opschiet? Deze doet drie uur over dertig kilometer, maar dan wel steil omhoog, en op stoom, ha! Het was helaas een dieselstomer wat inhoud dat ze met diesel water verhitten dat dan vervolgens weer de trein aan drijft. Lijkt wat omslachtig mischien, maar die zwitsers die de loco gebouwd hebben hadden het dan ook nooit zo bedoeld, origineel was het gewoon een kolen stomer, vage indiers. Eniwee, tuf tuf tegen de berg op. Weer door het heerlijk woekerende groen, lianen en exploderende rode accasia bomen. Eigenlijk was het nog leuker de loco te zien dan in de trein et zitten, maar geeft niet, moest het gedaan hebben. Ook de coupe was oud en tweede klas en gemaakt voor vier personen op een bank, niet twee hele families zoals er nu op zaten, dus confort minimal, indian Style. Zou ook confort Zero kunnen zijn, dan was het Africa style. Weet je, het is eigenlijk best bijzonder. Hier in India zie je helemaal geen bussen met gebroken ruiten, wel met een heleboel verschillende ruiten, maar ze zijn in ieder geval heel. Wegen, ook voornamelijk heel. Dingen worden hier gerepareerd. Dat is in Africa niet zo, behalve plastic emmers, die worden er met een beetje kokosvezel en wat draad weer dicht genaaid als ze een scheur hebben. Er zijn daar namelijk geen reserve onderdelen. In Africa komen alle voertuigen tweedehands uit Europa of japan, en dan mogen ze de rest van hun dagen slijten op de verotte binnenwegen van het donkere continent. Als de ruit breekt, ja, wat doe je er aan? Als de weg breekt, ja, geen nieuwe weg maschine of zo. Dat was een keer een donatie van een of ander fonds en die is inmiddels verkocht voor schroot aan china zodat de locale burgemeester zijn tweede huis kon afbouwen. Of die staan nu ergens te dienen als kippenhok. Overal suikeriet, maar vergeet maar dat ze er sap van maken zoals hier heel gewoonlijk is in India, geen maschine, dat is investering, dat heeft niemand en is gevaarlijk. Blenders om fruit te versappen, vergeet het, geen stroom. Okee, maar ik kwam dus weer boven aan, terug in Coonoor en bleef, en sliep in een tripleks hok zonder raam, tafel of stoel, een bed met drie poten een een grijze ratten familie als kamergenoten, heel gezelli. Werd die avond ziek, zweefde als een spook in m'n deken gehuld over straat naar de kliniek en bleek na een test een infectie te hebben in m'n bloed. Doktor schreef ABC voor en de volgende dag was ik weer opperbest, enkel een paar miljoen bacterien armer. Dat was de dag waarop Sadhguru een Satsang zou geven in; Jawel, Kotagiri voor alle recente cursisten, dus daar ging ik, op daar heen. Vierenenhalf duizend vrouw en man waren daar verzameld, we werden welkom geheten door mensen in witte gewaden die ons glimlachend toe namaste'den en mochten ons schoeisel achterlaten in een gigantische schoenen stalling in rijtjes op de grond. Eenmaal nedergezeten was er eerst muziek en toen werden we gezamelijk door de Shambhavi heen gesproken door een Bramachari, een ingewijde. Daar kwam dan Sadhguru. Levend Licht. Can you see the aura of that man?! It's huge? Het leek wel oneindig, door te vloeien in andere dimenties. Een oceaan van stilte, van rust. Zo'n wijsheid in elke handeling, begrip, weten. Ik heb een ware heilige gezien, wat een wonderlijk wezen. Als hij begon te spreken bleek het alles in Tamil te zijn, ookal spreekt hij dat zelf niet zo goed. Tantelizing was het om te weten dat hij het veel beter in Engels zou kunnen uiten, maar dan zou de helft van de aanwezigen het waarschijnlijk niet verstaan. Ik las zijn bewegingen, handgebaren en stem. De energie en het licht. Het was magisch, de-mystificerend ookal verstond ik het niet. Drie uur was hij daar, en het werd mangnificient donker, de hele hemel gedeeld in banen helder en donker licht van verre donderwolken. Heb me nog nooit zo dicht bij iets gevoeld dat ik werkelijk als heilig beschouwde. Nu begrijp ik al die aanbidding beter. Het is een soort kracht die achterblijft. Verdaast blijf je staan zo overwelmt door de open energie, door de puurheid van de ervaring. Zo'n dicht contact met de absolute waarheid. Na afloop duizenden gekke dansende extatische indiers. Huilend, krijsend, laat er uit wat anders nooit toelaatbaar is, brilliant en grappig. Dit achter me verder. Richting Mysore in de staat van Karnataka. Maar opweg daarheen
gevangen door de schoonheid van het bos waar wij door reden. Zo puur en onangetast was het. Ik zag een olifant en een hert. Dat is het, 'I'm getting out!' Zo belande ik in de natuur en was twee dagen in een miniscuul dorpje aan de rand van het reservaat dat door de jungle overspoelt werd. Met een gids ging ik vroeg in de morgen voor een wandering walkabout en we zagen vele herten en hoorde wilde pauwen, een luipaard, olifanten en zagen de graafsporen van een zwarte tapir beer. Het was een wonderlijk half open half dicht begroeid landschap van gras en reuze bamboe pollen en vele bloedrode accasia's. Een fijne wandeling was het aan de voeten van de bergen, waarna ik weer verder reisde en in Mysore aan lande. Mysore is geen slechte stad opzich maar ik was er niet zo open voor en dwaalde een tijdlang in dromen verzonken rond. Dromen die beginnen te komen over de plek waar ik mischien rusten kan. Waar mijn geest rust vinden kan kwa deze wereld en wat voor deel ik daar in inneem. Het is geen zekerheid, het is enkel een visioen, een idee dat uit kan groeien tot meer. maar het feit dat het gestart is is voor mij al van grote betekenis, het betekend het mogelijke einde van mijn rijzen in ieder geval voor een tijd. Het kan nog wel even duren, een jaar of meer, maar het zaadje neemt vorm aan, nu wacht het nog op een goede plaats om te ontkiemen. Van Mysore naar de kust, naar Kerala, en maar vrezen voor de hitte. Het werd me ook bijna te veel, maar dan dacht ik; 'Zeg, je laat je toch zeken niet wegjagen door een beetje hitte, kom op man'. En dus bleef ik. Gelande in Mahe, een oud franse colonie en werd ineens weer in het frans toe gesproken, erg appart, net Africa. Hier in Kerala voel ik inneens weer echt de geur en geest van Zuid-oost Azie. Zijn het de geuren, het eten, de taal. Zijn het de mensen en dieren of is het de zee. Het is in elk geval magisch het te merken, die zoete rust van bamboe en de jungle roep. Het water dat stroomt, boten en stijgers, Oh Asia! Nu keerde ik zuidwaarts en treinde langs de kust naar Cochin of Kochi. De hele dag reden we en s'avonds begon weder de regen uit de onzichtbare wolken te gieten. Letterlijk gieten. Het kwam in zilvere straaltjes voorbij de open deur van de rijdende trein. Als een duizend veranderlijk dansende slendere slangen was het voor de duisternis van de rode nacht. Wat een koele zegening het op mijn hand en armen te laten spatten, wat een godsgift voor het land dat haar verukkelijke aroma loslaat als dank voor het hemel water. Wat een geur is dat toch, kon ik dat maar in een flesje vatten.
Weer vond in zo'n vreemde kamer. Dit maal wel met ramen maar aan een hele drukke straat en geen slot of toilet beschikbaar. Het bleef regenen en de straat was helemaal onder gelopen in een modderige stroom. De volgende morgen bleek ik waarlijk niet ver van Kochi te zijn maar voor die dag was het genoeg geweest. Kochi ontving mij hartelijk en het eerste wat ik zag toen ik van de knalrode bus stapte was een reusachtige behaarde boom die zich over de gehele straat uitspande. Haar stam een zuil, meer dan dat, een rots van een pilaar vanwaaruit een tiental lange bochtige bomen oprezen om een hemel van groen omhoog te houden. Deze ecotoop omvatte een oude pickup truck, eens helder beschilderd maar waar nu planten en een jonge boom uit de bak groeiden, het hout vermolmt was en de ruiten verdwenen. En half verscholen achter de enorme stam, stonden ook nog een stel afthanse auto rikschaws hun tijd af te wachten met gescheurd dak en lekke banden, nu enkel nog goed als schuilplaats voor een wilde viskat. Ik zeg viskat omdat dat is wat ze hier zijn. Omdat er voldoende vis word gevangen eten ze enkel dat, en stralen dus een hele vissige air uit. Het is een heerlijk rustige plek, een oude colonie stad, van Portugezen, Hollanders en Engelsen die vele witgewaste monumenten van kerken, residenties en paleizen achter gelaten hebben en het geheel een geordende athmosfeer hebben gegeven. Overal reusachtige bomen, met straatventers er onder. Een kade waar met grote gespannen netten vis opgehaald word van de kant met behulp van een vernuftig kantel systeem van stenen en ruwe balken. Het is heerlijk, de zee, fruit, rust, andere buitenlanders om perspectief mee te delen. Ik ben bezig met mezelf. Is dit egoistich of eerlijk? Dit is de wereld, is die eerlijk of oneerlijk? Ik leef om te kunnen delen. Ik ben om te kunnen zijn, hier, daar, waar dan ook, het maakt niet uit. Maar laat mij het leven leren, laat mij deze mensen leren begrijpen, en wij elkaar. Want als we elkaar niet bergijpen kunnen, hoe kunnen we dan de wereld kennen. Als wij ons zelf niet begrijpen, hoe kunen wij dan ooit denken dat we een ander kunnen bergijpen.

vrijdag 1 mei 2009

25. Arunachala

So Wanda. Ja, wattabout'er? Ze heeft zichzelf aan de wilgen gehangen, met cosmische assistentie natuurlijk. Was dus enkele dagen in Agra, daar waar ook de Taj mahal staat, daar geen foto van want die kent iedereen toch al lang. Maar in plaats daar van een fijne voto van de ingewanden van een doorsnee indiase slaaptrein tweede klas, en dan ziet er er hier nog heel leeg uit, zeker iedereen alang er uit ofzo. Normaal gesproken zit het minstens twee keer zo vol en is het licht de helft van de tijd uit, als het tenminste werkt. Was dus in agra en ging daar door een fijne serie geestelijke stuggelingen die, toen ik er eenmaal doorheen was, me erg los en vrij achterlieten. Agra is een mooie stad, tenminste, het gedeelte rond de Taj met oosterse poorten rood ge-verft, overal winkeltjes en mensen met tulbanden en kamelen en reusachtige koeien, soms ook rood of blauw geverft, nog van het Holi feest, waar iedereen elkaar bekogelt met gekleurd poeder of water. Maargoed, na dus de deugden van mijn goeie mountainbike genoten te hebben probeerde ik deze om tien uur s'avonds in te checken in de trein waar ik mee hoopte te gaan naar het zuiden. Dit ging al niet vlekkeloos en na anderhalf uur proberen werd mij dan moeizaam een pariertje uitgereikt dat ze was ingecheckt, en of ik het slot er maar af wou halen; "Meneer, dat is een 8000 roepie fiets", (ongeveer een half jaar inkomen voor een Indier). Ze keken me onbegrijpend aan. "It's under Indian goverment responsibility", en daar had ik het maar mee te doen. Toen de trein anderhalf uur na geplande vertrektijd aan kwam rollen vermoede ik dus maar dat het goed zou komen.... Ja niet dus. Toen ik twee dagen later uit de trein stapte bleek uiteraard dat Wanda nooit was ingeladen. En ook na twee dagen wachten was ze er nog altijd niet. Ik wist dit. Toen ik op het peron in Agra zat te wachten kwam er een jongen langs die me, zoals ze dat hier zo goed kunnen, met een strak gezicht vroeg of ik hem mijn fiets wou geven. Nou is mijn eerste reactie in zo'n situatie meestal scepsis, maar dit keer kwam er heel sterk in mij op; "waarom niet"? Maar ik was toen nog in de ilussie dat ik het redelijke zou proberen Wanda op de trein te krijgen. Dat dit nooit was gebeurt was mij dan ook niet echt een verbazing maar in plaatst daar van liep ik in diepe rust en vrede met de situatie het platform af, om, tot nu toe, nooit meer iets van haar gezein te hebben. Gelukkig had mijn goeie zelf mij wel verzekerd mijn rugzak, die ik aanvankelijk in Delhi achter had gelaten, op te halen, vanuit Agra, en ook dat ik voor ik Wanda aan de instanties toevertrouwde (Vertrouw dus nooit iets dat garandeert van de Indiase regering afhankelijk te zijn) de essentiele zaken uit de fietstassen had gehaald, zodat ik nu redelijk ongedeerd, enkel een fiets, een zeiltje en vier mammager elastieken armer, verder kon. Twee nachten denderde de trein voort en een constante stroom vendors van elk mogenlijk soort bevolkte het gang pad. Chai, eten, water, ander eten, chips, komkommers met zout en chili, kranten, leer lezen boekjes in Engels en Hindi, bedenk het, weinig dat je niet al reidende op een indiase trein kunt vinden. Ik had gelukkig het bovenste van de drie bedden en kon mij dus enigsinds terugtrekken van deze rollende karavaan. Het landschap veranderde niet erg, huisjes, koeien en waterbuffels die in bruine plassen baden, hooibergen, oeroude trekkers die puffend het droge land onspitten, een blauwe lucht, heet tot stikheet, Acasia bomen met knal rode bloemen, een eindelze horizon. In de trein ontmoette ik ook een vrouw en haar dochter die ook opweg waren naar Bangalore om de Satsangs (soort spirituele speech/Q en A van een Guru) van een man genaamd Sri Sri Ravi Shankar (niet van de Beatles) bij te wonen, en nodigde mij ook uit te komen. Sinds ik toch enkele dagen in Bangalore wou blijven om het mogelijke komen van Wanda af te wachten toerde ik zo de volgende dag eens naar zijn Ashram, net buiten de heibel van de stad. Dat ziet er dus ongeveer zo uit, het is een tempel van alle reliegies, vrij voor allen, het is de Lotus tempel. ->
Er is ook nog een heel complex omheen met tuinen en hermitages en zo gezet in de glooiende bruine buiten heuvels van het plateau van Karnataka. Een heerlijke middag was ik daar en mediteerde op het bizar groene gras onder de bomen waar ook veel van zijn langbebaarde volgelingen de ronde deden. het was en vredig gebeuren en s'avonds kwam de man dan zelf tevoorschijn. Een zeer vriendelijk glimlach en een weid wit gewaad gezeten op een grote troon was hij daar. Hij danste een beetje toen hij kwam en draagt het innerlijk kind in zich, immer ongebonden. Voor een man en vrouw of twee drie duizend beantwoorde hij een tijd vragen van de aanwezigen in een wat dromerige stem en het geheel was een vredig gebeuren. Er was helaas geen plek om te slapen in de Ashram dus na veel bloemen, vegetaries eten en een avond van 'Joy', vleide in mij net even buiten de poort neer op het stekelige gras, bond mijn klamboe op die ik nog op het laatste moment van Wanda had gered, Dank U, en sliep vredig. De morgen zag mij terug reiden naar Bangalore en verder, nu naar beneden, de verstikkend hete vlaktes in van de oosterlijke Ghats van India's zuiden, het was Tamil Nadu. Ik proefde nu mijn eerste Dosa en Brijani maal en het was werkelijk alsof ik gematerialiseerd VUUR aan het eten was, men ze houden hier echt van pittig! Enfin, twee bussen later reden we door het donker mijn uiteindelijk doel te gemoed, zo lang geanticipeerd, nu bijna bereikt, maar man wat was het heet. Krijg ik uberhaubt nog lucht binnen of ademt mijn hele lichaam momenteel door mijn porieen? Bij de eerste stappen die ik zette op Thiruvannamalai's heilige grond wist ik het; Ik ben hier eerder geweest. "Ah, zo zien de muren van onze tempel er nu dus uit", "dit is was ze gedaan hebben met onze straat". Het voelde meteen als thuis, als herkenning, als een stukje van mij wat ik altijd gekend had maar pas nu gerealizeerd dat het er was. Verdaasd in de golven van energie vond ik een schoon en veilig bed, gooide alles af en beplensde mezelf met het niet al te koude water wat er uit de kraan stroomde (jawel, technologie), ging toen geheel nat op het bed onder de ventilator liggen, een poze die ik in de dagen daar op nog vele malen zou herhalen en die practiesch de enige menier was om mijn lichaamstemperatuur tot een enigzins acceptabel niveau terug te brengen. Het is daar dan ook een volle 39 graden in de schaduw en dit word s'avonds pas heel laat enige graadjes minder. Daarbij is het vochtig, stoffig en India, dus zeer full-on voor je zintuigen. Maar, het was Tiruvannamalai, what can I say? De eerste dag liep ik de tempel binnen, een zeer groot complex met meerdere muren, vijf immense torens, baden, beelden, Nandi's, pleinen en zalen, honderden jaren oud. Dit is de plek van verering van Shiva die, zo word gezegd, hier als een oneindige kolom vuur verscheen om een geschil tussen Bramha en Vishnu te beslissen, en uiteindelijk maar in een berg in veranderd om de mensen aan het voorval te herinneren, Arunachala. Die naam ken ik, ik weet het, hij is zo diep geworteld in mijn gehele zijn dat elke keer dat ik hem zeg en wel een beetje licht lijkt op te stijgen uit een andere, onderbewuste dimentie. Elke maand word en een gigantische fakkel bovenop be berg aangestoken met meer dan tweeduizend liter ghee erop.
Thiruvannamalai is ook de plaats van de Ashram van Sri Ramana Maharshi, die hier woonde en zijn verlichting realizeerde, waarna hij voor twintig jaar in een grot heeft gewoont, aan de voet van Arunachala. Er zijn ook nog enige andere ashrams van verlichte meesters maar zijne is ronduit het meest bezocht, vooral door veel buitenlanders. De stille Meester is reeds zestig jaar geleden heen gegaan maar zijn geest zweeft nog immer over de gronden. Ik was in totaal drie dagen in Thiruvannamalai, hoe ik me er ook thuis voelde, de hitte werd me echt te veel, en ik besloot op een later tijdstip terug te keren. Het is een ongeloofelijke plek, mannen lopen er in dhotti's, veel mensen en zelfs schoolkinderen lopen blootvoets. Of het is omdat ze geen schoenen hebben of omdat ze het hele gebied als een grote tempel beschouwen weet ik niet, maar het is ongeloofelijk. De aarde op deze heilige plaats bracht in mij een wonderlijke stilte en rust teweeg, een aanwezigheid die continu was en zelfs nog voortduurde toen ik al honderd kilometer verderop was. Een bewustzijn van het 'mij' in mij, als een spil waar het hele innerlijk universum omheen draait, dat overal mee heen beweegt en zo krachtig is. Ik ontsnapte naar het oosten, waar, zo vertelde mij de kaart, zich een groep heuvels bevond met daarop enige dorpjes die, zo dacht ik, me wellicht enige verkoeling zouden kunnen bieden. Dit bleek een gouden zet. Ik stuite op een verborgen juweel. Vanaf Coimbatore ging de bus ineens steil omhoog, door dicht beboste hellingen waar wolken boven dreven (een mede reiziger vroeg zich af of dat nou een wolk was, hij had er nog nooit een van zo dichtbij gezien). Almaar hoger en hoger stegen wij, en de lucht werd merkbaar koeler. Hoog boven de vlakte uitgestegen waren er ineens hele groene heuvelzijden bedekt met theeplantages overschaduwd door zilverachtige bomen. Er waren oude coloniale huizen en villas met rode dakpannen en geschilderd in een vaal vanille geel. De lucht die tegen m'n gezicht aan stroomde veroorzaakte waarachtig verfrissing, het was een wonder. Het was Coonoor waar ik uitstapte en mijn intrek nam in de Shri Laxmi tourist home net boven het dorp op de fluwelen heuvelzeide. Het climaat in deze 50 miljoen jaar oude bergen is een stuk aangenamer dan beneden en het heeft wel iets van een Hollandse zomer. Ik had dan ook helemaal geen haast weer af te dalen en spendeerde zo een volle week in Coonoor. Wandelde rond en prate met de mensen, ontdekte de geweldige markt en kwam tot de conclusie dat elk dorp dat een degelijke, ordentelijke markt heeft, wel een goed dorp moet zijn. Op een dag liep ik van Coonoor naar het nog hoger gelegen Ooty, grotendeels langs de spoorbaan die zich een weg snijd door rotsen en ecatiptus bossen. Die soms uitwijd in pitoresque witgeschilderde stationnetjes uit het begin van de vorige eeuw, waar seinen nog met de hand over gezet worden en een treinkaartje een werkelijk kaartje is van dik gekleurd karton dat dan geknipt kan worden door de statig uitziende conducteur. Ooty licht op zo'n 2300 meter en het is er dan ook vaak mistig en kil, en vangt alle regen die van de indische oceaan deze kant op komt waaien. Ideaal weer, dachten de Engelsen, net als thuis, en zodoende stichtte ze hier hun voornaamste heuvel onderkomen voor in de hete maanden. Vind het ook niet zo gek dat ze het niet uithielden daar beneden als je ziet wat die lui allemaal aanhadden. Ik was in een echte oude Engelse club, jachttrofeeen en openhaard en al, en daar hingen foto's van de eerste voorzitters. Overhemden, blazers, slobkousen en wollen pakken, ja zo kan ik het ook heet krijgen zeg. Ooty is tegenwoordig nou niet echt de meest aantrekkelijke plaats dus wandelde ik om het meertje aldaar tussen de hoge dikke sparren, doornbessen struiken en gras. Na een poos begon het lichtelijk te regenen maar het deerde mij niet en onder het gekras van onze vrienden van de nacht reciteerde ik vol passie wederom 'The Raven' en was in vervoering. Ik schuilde een poos bij een kleine tempel waar drie alleraardigste plichtgetrouwe meisjes mij dadelijk tika aanboden en we een heerlijk gesprek hadden in half engels. Ik continueerde mijn tour om het meer en zag de vissen dansen in de regen, terwijl kleine beige reigers het van de kant naukeurig administreerden. Verder ging het en langs oude hekken, badend in een bladderend blauw licht van de vergane glorie, een poort met ijzeren slangen gevrocht, een waker in een grijs uniform die mij streng nastaarde. Terug liep ik langs de rails tot het duister mij overviel. De laatste trein had mij reedst gepasseerd en nu wist ik dat mijn enige hoop nog op de bus ruste. Deze vond ik, vanaf Lovedale en voerde mij rap naar onder. Het kind dat ik ben tuurde uit het open raam om te aanschowen de nevelen die zich nu rusten lietten in de lage dalen waar de eerste lampen reeds ontstoken waren. Gelukkig bereikte ik weder mijn bed en laken, enkel om te ontwaken, aan het groene morgen schemer. Na een week zoeken en ontdekken, het niet vinden van dat wat ik zocht, maar veel vinden waar ik niet om gevraagd had, zette ik de reis voort naar Kotagiri, een mogelijk nog kleinen gehucht een kleine dertien mijl verder langs de gebroken straatweg. Te voet legde ik de eerste eerlijke tien kilometer af tot mijn knieen begonnen te klagen. Door groenen thee plantages liep ik stellig, huizen oud en bomen bossen diep en donker passerde ik, om dan af te dalen in een vruchtbare vallei zo schoon en speels dat het men het wel bijna voor een verborgen eden moest beschouwen. Maar het was Kotagiri nog niet, en dus nam ik de bus. Kotagiri, een kluster huizen rond een busstation en enkele kerken en tv masten trok mij niet al te zeer aan en zodoende was ik aanvankelijk niet van plan hier lang te verpozen. Met die reden was het dat ik, nietsvermoedend de volgende morgen weer mijn rugzek oppakte om eens een bus te gaan zoekken, enkel om deze, een klein uur later, weer op exact de zelfde plaats te herplanten. Het geval was, dat het op die dag exact een jaar was dat ik mijn huis en haard verlaten had. 27 april vorig jaar trok ik daar ik het ochtendgloren de deur achter mij dicht en richtte mijn neus voorwaarts, blik op oneindig. Zodoende speelde het universum nu weer op mijn zinnen. Er was een staking, vanwege de oorlog in Sri Lanka, een heleboel bussen daar, maar geen die er ook maar over dacht ergens heen te gaan dan de meest nabije dorpen. Een ogenblik twijfelend of ik dan maar, net als een jaar voorheen zou lopen, of een andere optie zou kiezen, dreef ik wat rond over het plein en vond daar ineens een flyer in het engels met een vriendelijk ogende guru met een onvergetelijke Sinterklaas baard. Nu had ik de poster van deze wijze al overal en nergens zien hangen, maar het was tot nu toe telkens in het Tamil geweest en dus voor mij enkel plaatjes staarderij. Nu echter kon ik in het Engels de betekenis van al de krullende tekens ontwaren en, mijn interesse gewekt, belde het eerste van de vier nummers achterop het bulletin.
Een man antwoorde mij en zei dat hij zelfs in een deca minuut ter plaats zou zijn. Nou geloof in niet echt meer in toeval, dus rustte hem rustig af. Hij verscheen in een glimmende Tata wagen en lestte mijn nieuwschierigheid omtrent deze mysterieuze heilige. Zo kwam het dat, na nog twee etmalen in Kotagiri, het gebeurde dat in een laag haveloos locaaltje in een middelbare shool ergens op en heuvelzeide ganaamd Riverside, ik de rivier in dook, besloot een einde te maken aan mijn tweifels, tenminste voor deze week en mij inschreef voor zijn zevendaagse cursus en inweiding in een yogatechniek genaamd de Shambhavi Maha Mudra. Het is een serie houdingen en dergelijke die samen tot een serene staat van zijn leiden. Het was een klasje van zes en na een stuk video waarin de meester zelf vertelde over het een en ander werd het verder gepersonalificiceerd door een van zijn volgelingen, in oranje en wit. Zo ging het elke dag, liep ik door de thee naar de school, leerde nieuwe dingen en mocht luisteren naar de oneindige weisheid van Sadhguru. Hij is echt een zeer charismatische leraar, vol humor, maar ook vol direct inzicht. Zo wijs, zo'n intelgent wezen, alles wat hij zegt stroomt er zo direct uit, geen moment heeft hij nodig om na te denken, geen euh of overbodige pauze is er in zijn verhandelingen. Het bewijst hoe hij constant in contact staat met de bron, hoe het voor hem geen weet is maar waarheid. Hij leert ons het moment te accepteren zoals het is, in het nu te staan en nu actief te kiezen over hoe je je wilt voelen. Hij leert ons hoe onze connectie oneindig is, hoe we met alles in het universum in contact staan. Vandaag had hij het en hele tijd over het onderbewuste en hoe Gautama Buddha al heeft gezegd dat het universum enkel uit sub-atomaire deeltjes bestaat die constant in en uit het bestaan springen zodat eigenlijk onze hele wereld een illusie is. Daarnaast is er in deze hele Velangiri bergen een dertig dagen durend festival aan de gang ter ere van de regengodin Maryama en dat betekent elke avond rithmisch getrommel, optochten met karren versierd met een overdaad aan bloemen lichtjes en kleur, en algehele vrolijkheid. Op het dak van mijn hotel zit ik s'avonds bij zonsondergang en zie de rode ster achter de groen grijze bergen verdwijnen, de vrre bomen zwart afgetekend tegen de lila lucht en de rust die wederkeert over de dalen. Ook heerst er verkiezings gekte wat inhoud dat de hele stad geteroriseerd word door jeeps met speakers op het dak die urenlang op een hoog opgewonden toon een stroom van onvrede spuien zonder twijfel vol voorden van 'Verandering', ja, Verandering van hun inkomen ja, stelletje lapzwansen. Gisteren deden we eerst spelletjes bij zonsopgang en daarna hadden we een hele dag in een luxueus centrum hier waarin we geeinicieerd werden en nog veel meer van zijn inzicht tehoren kregen. Ik weet niet of de techniek zelf het helemaal voor mij is, maar het is in elk geval een hele stap voorwaarts geweest mezelf voor een week ergens vast te zetten en is het heel leerzaam om met de dingen waar hij het over heeft te expirimenteren en te leven, zover ik dat nog niet deed. Het is een ding dit alles in een boek te lezen, het is heel wat anders het te ondervinden en zelf gevraagd te worden wat jij dan vind, door een verlicht meester. Is hij dan mijn Guru? Aleen de tijd zal dat bewijzen. Morgen is de laatste dag van de cursus en mischien dat ik dan wel even een kijkje ga nemen in de Ashram waar hij soms huist, nog een plek waar alle religies samenvloeien en naamloos worden in het Isha Yoga centrum. Waar we het allen over het zelfde hebben en er enkel acceptatie is. We zien wel, voor nu geniet ik van de regen en de rust, van de hagel die hier net uit de wolken kwam vallen en mijn blote voeten op de bruine straat.

vrijdag 10 april 2009

24. De Hemel in

Nu ging het bij de grens allemaal een stuk gemakkelijker dan geanticipeerd en wisselde ik snel mijn laatste Shekels in voor mooie Jordaanse Dinars. De weg was gebroken, de grenswachten hadden dikke snorren en een grote grijns en daar zag ik weer statige minaretten voor mij oprijzen in Saudi stijl. Ik klom tegen de andere zijde van de dode zee vallij weer omhoog, die mysterieuze paars grijze bergen in die mij zo lang hadden staan opwachten. Het eerste wat ik vond, vergeten in het stof, was een rood witte Kafiya of pallestijnse sjaal. Die word in Jordanie overal uitbundig gedragen en is een ware nationale trots. Dit land bezat immers tot in de jaren zeventig de overkant, zijnde wat we nu Palestina noemen en een stuk van Jerusalem. Vele palestijnen wonen dan ook in Jordanie en dat merk je aan de rebelse atmospheer die in sommige buurten hangt. Nog geheel in de lifters vibe lifte ik richting Petra maar merkte al gauw dat dit toch echt Israel niet meer was, niet een quasi-stuk europa en dat het hier toch wel weer heel andersaan toe gaat. Hoe dan ook, ik kwam in Petra aan en man was het daar eventjes koud! Moest wel twee truien aan en dan nog was het frisjes. Die avond was er een stof storm in de lucht en alle auto's lagen later bedekt onder een laag bruin stof en er hing een vreemde energie in de hemel. De volgende dag echter was het weer geheel opgeklaard en dus trok in na mijn potje bruine rijst gekookt te hebben er op uit om de boel een wat te verkennen. Ik had van een van de walkaboutlovers gehoort dat je ook best de heftige toegangsprijs kon omzijlen door een stukske om te lopen, dus na wat noncharlant geloop dook ik van de weg af en verdween in een diep ravijn met wilde bosjes en zonder pad. Dit volgde ik al klouterend over rotsen en door modderige spleten, onder stenen door en zo verder verkennend als een ware Indiana. Na een poosje vond ik een oeroud pad zeker nog uit de tijd dat dit hele Petra gebouwd is over prachtige glinsterende zandsteen rotsen van ongeloofelijke kleurigheid. Kijk, je kunt je mischien kleurig zandsteen voorstellen, en je kunt je mischien gelijnd gekleurd zandsteen voorstellen. Maar wat daar in petra is is echt super psychedelisch vet trippend hyper gekleurd zandsteen met de meest abstracte en extreme lijnen en vormen erin. Diep rood en blauw grijs, sinnasappel geel en bijna groen, zwart, helder wit en kastanje bruin. Alles door elkaar gemixt en opgestapeld. Toen kwam ik in een wijdere vallei en al gauw zag ik de eerste kamers uitgehakt in het steen. Petra is een hele petrolithische stad uit het steen gechopt, veel meer dan je meestal ziet afgebeeld op die ene beroemde foto, begin maar met hakken. De hoge gevels met fijne lijntjes torenen op uit het steen, zwijgend hun verhaal vertellend van tweeduizend jaar woestijnwind en stilte. De overdaad aan groeps-toeristen deerde mij niet en ik danste vrolijk rond door deze prachtige inspirerende bergen met hun mooie tombes en tempels. Mocht je meer willen zien van Petra, Googel het dan of nog beter, ga er zelf heen! Over een eindeloos stijgend pad door een nauwe kloof met scherpe rotsen berijk je 'Het Klooster' wat bovenop een berg uitgebeiteld is en uitkeikt over de dode zee vallei en het heilige land daar voorbij. In de straffe wind contempleerde ik nu mijn keuzes terwijl ik zo uitkeek over de wildernis van Zin. Daar, ergens ver, maar toch niet zo heel ver weg liepen nu mijn geliefde vrienden in de Walk about Love, dwalend door de bergen, zingend tussen hemel en aarde. Hier ben ik nu, weer op weg naar verdur, alsmaar reizend tot over de horizon. Waarom? Waarom niet? Omdat ik geloof dat er meer is. Omdat ik geloof dat er achter die oneindige horizon oneindige vriendschapen wachten en het me een gevoel geeft van vrijheid in deze ilusionaire wereld betoverd door de tijd.
Tot de zon rood werd dwaade ik rond tussen de tombes van Petra en kwam uiteindelijk uit bij 'De Schatkamer'. Dit fraaie monument licht geheel ingeklemd tussen de spelonkige rotsen en, wel, het is ongelofelijk prachtig. Versierd met schoone maagden en leeuwen met trotse haardossen en pilaren van al even mooi glitterend zandsteen. Het zonlicht was reeds verloren en ook ik zette voet op de weg naar buiten tezamen met de paardenkarren en traag stappende kamelen door de smalle kloof die de oude toegangsweg was naar deze heilige stad. Zo reisde ik naar Amman, de hoofdstad van Jordanie met de intentie van hier door te stoten naar het grillige buurland Syrie, met hun boosaardig ogende president. Maar, na twee dagen aldaar vond ik bij de grens uit dat ookal had ik nog zo zorgvuldig al de Israelische stempels omzeilt en ik een gloednieuw paspoort had (uit Egypte, de oude was vol) Ze me er toch niet in wouden laten, en zo vond ik mij algauw weer in een wagen terug naar Amman. Ik vatte het positief op, dit betekende meer goddelijke falafel en hummus bij de beroemde middle-east fast-food tent vlakbij m'n hotel. Het betekende ook datgene wat ik al lang geanticipeerd had maar stug was blijven ontkennen; dat ik zou moeten vliegen naar mijn final destination, het land van Hind. Om de tijd te doden voor mijn vertrek daalde ik weder af naar de dode zee, maar dan aan die verre overkant die mij zo lang gefacineerd had. Ik sliep een nacht op het zwaar vervuilde strand recht tegenover Metzukei dragot en zag in de avond de lichtjes van het chackpoint en de bergen die ik eens, nu zo lang geleden scheen het, in het duister beklommen had op mijn eerste dag in Israel. S'morgens kon ik over het heldere water alles zien, Ein gedi, Massada en Jericho. Het water was hetzelfde, maar het strand was wat anders. De mensen van Jordanie hebben nog niet echt benul van achter zichzelf opruimen. Boven aan de weg was een zeer pittige warme bron waar ik het zout en vuil, alswel mijn huid in af liet weken, vrij agresief watertje dat. Verder langs de dode kust en weer omhoog naar Karak waar ik in een India style hotel incheckte. Ja India haalt me binnen. Hoe normaal lijkt nu dat hotel na de afgelopen weer hier, in de hitte van het Sub-continent. Alle officialiteiten verkten op astraal verzoek erg mee en zo was het dat, na vijf dagen ik mij weder in een bevleugeld alluminium gevaarte bevond dat zich met spoed richting het verre oosten bewoog. Met een licht gevoel van spijt verliet ik weder de Arabische wereld, nog steeds niet echt veel arabisch wijzer, maar wel een heleboel nieuwe vrienden en herinneringen. In het vliegtuig, met iedereen zijn eigen plasma schermpje, kon je je eigen muziek kiezen. Zo vloog ik over de grens van Pakistan met 'Shine on your crazy diamond' van Pink Floyd in m'n oren en daar voor al een audioboek van Jack Kornfield; Meditatie voor beginners, aren't we all? ik was in de hemel.
Vroeg in de morgen liep ik in syncflow de luchthaven uit en snoof op die lichtelijk aangebrande overdadige rijke geur van India. Zo boordevol emotie en verhalen en een eindeloosheid aan kleur en diversiteit. De gekte in, een waar pretpark waar ik zomaar in losgelaten word. Een hele wereld opzich, en de enige voor velen. Oh India, Oh Asia, wat heb ik je gemist!. Ik voel me compleet thuis, nix is vreemd, aleen maar fantastisch. Indiase logica, indiase regels, Indiaas eten en Indiase zon. Het is warm, het is er vol koeien en vuil, het is er druk en bijzonder schoon. Wat een plek, wat een prachtig vreemd leven. Wat een mindtrip om hier na zes jaar weer terug te zijn, maar wat ben ik gelukkig dat ik het gedaan heb. Delhi's overdosis alles deert mij niet nu, ik heb nu reeds genoeg ruimte van binnen om met toch rustig te kunnen voelen en genoeg kalmte om uit te stralen naar de wereld om mij heen. Ik was weer terug ik het blauw en rose bemuurde hotel in Pahar Ganj, het goedkoopste naar mijn weten in Delhi en het is eigenlijk niet ogenzienlijk veel veranderd, het is mischien schoner dan voorheen. Ik genoot. Oh hoe genoot ik van de oeroude bomen besmeerd met rode kleur en ghee en met afbeeldingen van Ganesh en Shakti. Van de leuke blaadjes van de Bodhi bomen die zo regelrecht uit de muren van huizen komen groeien en een heerlijke koele schaduw verschaffen. Van de prachtige kleuren van de Sari's en de grote snorren van de net geklede heren. Van de vele Riksha's, brommer en fiets, en van het licht. Maar het meest genoot ik mischien nog wel van hoe alles ultiem doordrongen is met religie, en niet zo'n vaste starre maar een liefdevolle met ruimte voor intrepetatie. Van de mensen die allen, hoe arm of miserabel ook, vervuld lijken met vrede, met een innerlijk weten dat onder alles een zee van goddelijkheid rust en dat je er aleen maar op kunt dobberen. En een oh zo sterk gevoel had ik dat voor mij het juiste om te doen nu een fiets kopen was. Dit klinkt mischein wat impulsief en nu ben ik dat meestal niet zo maar dit was zo'n weten buiten mij. Een kracht waar ik mij aleen maar aan over kon geven in liefde. Om echt in die synchroniteit te gaan staan en te geloven, te weten dat alles in het universum gaat zoals dat moet en dat er geen nodeloze acties bestaan. Te vertrouwen op die intuitie die zo in mij golft en die, als ik er waarlijk in ga staan, me immer de juiste kant op leid, ookal lijkt het voor mijn mind vaak onlogisch. Zo was ik dus na drie dagen rondfietsen en currie eten uitgerust met een vrij hippe en spliksplinter nieuwe mountain bike. Ookal is het binnenland van India vrij vlak, de wegen zijn er niet minder om en met het oog op de toekomst die mij wellicht naar de Himalaya zou leiden wel een slim idee. Na een testrit met bepakking en al vertrok ik toen op een goede morgen richting het oosten, over de Great Trunk Road, ot. De grote hutkoffer weg, haha. Voor ik deze gevonden had echter raakte ik eerst nog wel even goed verdwaald in de buitenwijken van Delhi en eenmaal op de overdrukke weg viel er een prachtige glinsterende tropische bui om al het stof wat neer te doen dalen. Ik fietste en sloeg toen een zuiderlijke afslag in, en volgde die. Fiest fiets, wat een drukte op die weg, en maar toeteren met de meest felle toeters. Nou was er bij de testrit al een vreemde tik in de trapas en ik was reeds drie keer terug geweest om het te laten fiksen. Maar hoe goed de mechaniechien ook keek, hij kon (en wou) het niet echt vinden. Dit getik werd naarmate ik voortzette steeds luider tot op het punt dat het mij ernstig begon te irriteren. Dit is een nieuwe fiets verdomme, moet het gewoon doen. Jaa, maar het is ook een nieuwe Indiaase fiets, kijk, wereld van verschil. Iig. Toen het ook nog begon te pieteren goorde ik mijn kwast in de emmer en jumpte, met fiets en al, op een vreemdsoortig Mad Max ogend voertuig wat wel wat weg heeft van een gemotorizeerde zeeolifant op drie wielen, en wat een enorm kabaal produceert. Dit is het locale transport en haalt zelfs de meest afgelegen gehuchten.
Met behulp van nog twee bussen bereikte ik nog die avond de stad Agra en viel uitgeput op een slonzig heet bed in de Shanti Lodge. Nu zie ik deze toer geheel niet als mislukt, en bij elke twijfel weet ik dat het gehele proces een enorme leerschool is. Hoe harder ik val, hoe sneller ik leer. Het is enkel een uitdaging om het positief te bekijken en te blijven en te zien hoe ik dit op een goede manier kan transformeren. Het is in elk geval een geweldige luxe om rond te kunnen fietsen om de Taj (Mahal) en vanmorgen verscheen er een prettig gestoorde engel, zo uit de hemel gevallen die al meer dan dertig jaar om de wereld fietst en die met zijn vernuftige gereedschap en uitgebrijde fietskennis het probleem zo verholpen had. Wow, wat een geschenk. Dit betekend echter nog niet dat ik ook werkelijk verder ga met fietsen. Mijn knieen zijn het geheel niet eens met mijn keuze op een enigzins te kleine fiets India te gaan verkennen met volle bepakking en ook het stof en lawaai stuiten mij enigzins tegen de borst, maar we zien wel. We zijn op weg, Wanda en ik (zo heet ze(de fiets)) naar Tiruvannamalai in de zuidelijke staat van Tamil Nadu, en alles is daar weer compleet anders hoor ik. Voor nu verpoos ik nog een nacht op een steenworp afstand van de schoonheid van de Taj Mahal en zag vandaag op een fietstochtje een eerste Olifant die met haar zachte slurf (zo'n vet woord, slurf!) aan haar bolle starende oog krabbelde in het gezelschap van een heleboel mensen die daar gewoon buiten woonden. Hun kookvuurtjes stokend op de grond en kinderen met warrig haar die op mijn fietst toestoven. Dit is ook india, het leven dat in elke goot is en waar recycling een weg van overleven is voor menig armeling. Aum, Aum, Aum shanti Om. Shri deva mata Ji.


zondag 22 maart 2009

23. Over the rainbow


Jerusalem, brilliant en stralend, eindeloos mysterieus, magnetisch, superreeel, de stad van vuur. Ik vertoefde tien dagen in de buurt van haar muren, haar oude poorten en groepen gebedshuizen van allerlij fatsoenen. In het huis van Ibrahim El Hawa op de olijf berg was ik, in zijn huis waar immer eten op tafel staat voor de hongerige en een bed wacht voor de moede reiziger. Deze berg, waar ook Jesuses vermeende voetstap licht zal, zo zeggen de profetieen, eens doormidden splijten, das niet zo mooi voor Ibrahim dus houd hij er maar een laconieke houding op na. Ik was echter niet enkel in de heilige stad en reisde ook onder andere af naar Betlehem waar een duistere archaische kerk cluster verlicht enkel door olielampen de geboorteplaats van de messias bevat, gat in de grond met marmer bedekt, en de muren besmeurt met het roet en de tranen van de vele eeuwen. Ook mijn eerste echte Tahini at ik daar, verschillende schaaltjes, gezuurde groenten, verse zwarte olijven zo uit het vat, de tahini rijkelijk overgoten met dikke olijfolie en pijnboompitten, een verukkelijke rode pittige saus van geroosterde paprica's en tomaten en uiteraard pita broodjes. In de drukke markt die de hele centrale straat van de stad besloeg vond ik een oude vrouw die reusachtige rozijnen verkocht, met de pitjes er nog in. Echter, afdalend van de heuvel waar het geheel op gebouwd licht kwam ik bij de Muur. De nieuwe apartheids Muur die Israel moet beschermen van al die boosaardige Pallestijnen. Acht meter hoog kaal beton met op elke bocht een gemeen ogende schutterstoren. Hier stuit de ene wereld tegen de andere, famielies afgesloten van hun landen en buren, wegen afgesneden, huizen omsingelt door een gordijn van onbegrip en agressie. Kleuren van hoop sieren nu deze afscheiding, woorden van weemoed en machteloosheid. Grote grafittis en posters om te bedekken wat niemand wil zien. Waarom staan wij toe dat na dat ons continent veertig jaar in tweeen gedeeld is door stupiditeit er slechts tien jaar later precies hetzelfde weer gebeurt net even verderop, net in de ooghoeken van de wereld en de media, iets waar niemand het mee eens is, maar ook niemand iets van wil weten. De mensonterende terminals die je door moet wil je weer naar de rijke wereld brengen je van nergens naar nergens, zwaar bewapende Israelis in het groen, allen slechts kinderen, een leger van onwetende, de macht van de naiviteit. Niet enkel Betlehem bezocht ik, ook Jericho en Hebron deed ik aan, daar, de stad van de aarde, waar zelfs middenin het oude centrum, met haar poorten en bochtige steegjes hekken staan, muren van prikkeldraad en steen. Hier zijn de zionisten Palestina binnen gedrongen en hebben zich er in geworsteld, als een maretak op een bloeiende boom. Het leven van de originele bewoners totaal onmogenlijk gemaakt door de tomeloze agressie van hun belagers, dagenlijks met stenen bekogeld, hele stukken van de stad afgesloten behalve voor een paar 'chosen few'. De moskee, dat het graf van abraham en andere herbergt is in tweeen gedeeld, een stuk moskee, een helft synagoge. Hoe kan iemand zo blind zijn, zo stupide? Jullie aanbidden zelfs de zelfde doden, hebben hetzelfde boek, leven in hetzelfde land, en nogsteeds gaan jullie door met het vechten en doden van jullie broeders, om ideeen, om macht, en soms enkel omdat zij het eerst deden. Boven de stille markt, grotendeels gesloten omdat het leven van de bewoners onmogenlijk word gemaakt, zijn hekken. Hekken die de tekenen tonen van grote brokken steen van boven geworpen door de zionisten, zo'n disrespect, zo'n werkelijke ontaarding. Een man in een van de laatste kleine winkeltjes waar ik mee sprak drukte mij op het hart; 'wij willen enkel vrede', geen moeder wil haar kind verliezen in deze zinloze strijd om een stuk woestijn, Vrede en de originele grens. Na enkele dagen in Jerusalem, of Jerusalayem zoals dat hier heet ging ik voor een vredige wandeling naar Wadi kelt. Een diepe kloof, kilometers lang waar grieks ortodoxen een burchtachtig klooster tegen de rots hebben aangeplakt in een oase van groenheid gevoed door een bron veel hoger op. bij die bron kwam ik eerst aan na een wilde wandeling door de heuvels en sliep daar op een richel, waar ook de fluitmarmotten huisden. Stil was het er onder de sterren hemen en toen het ochtendlicht mij wekte cirkelden er twee zwarte raven door het dal en lieten hun heldere stemmen weergalmen op de oranje rotsen. Noordwaarts trok ik, al liftend wat hier een hele gewone zaak is, zo zelfs dat er op de liftersplaats aan het einde van Jerusalem wel een stuk of veertig lifters stonden te wachten, zwart witte jongens inclusief, met de vinger naar beneden, zoald dat hier gebruikelijk is. Zo vloog ik langs Tel Aviv en geraakte in de Moschav van Omez waar ik een workschop van Roy Little Sun bijwoonde in een heerlijk kamp in een avocado en grapefruit boomgaard. Hij sprak over een gebalanceerder leven door macrobiotiek en we bouwden een medicijnwiel waar we als afsluiting de sacred heart dance op deden (voor info, check; www.shaketheanthill.net) zo plezant was het dat ik nog een extra dag bleef in een van de kleurig versierde tipi's voor ik mijn weg baande naar het kille Klil en het huis van Adema. Op een heuvel tussen het groen en de carob bomen staat een houten huis. Hier draait het universum om het heilige centrum van onze galacsis in de taal van de dertien manen kalender. We planten een druiven gaard en beknuisterden ons voor de houtkachel terwijl het buiten regende en stormde. Het huis bleef echter staan en toen de zon weer verscheen zette ik mijn tocht voort naar Safed. De stad van de lucht en een ortodox bolwerk maar ook een plaats van kuntenaars waarvan er een mij onderdak aanbood on zijn prachtige huis met koepelplafonds, oosterse tapijten en een echte vleugel. Met hem en zijn vriendig vierde ik het shabbat in een zeer apparte wijze. Het eten was heerlijk en overdadig en zo kwamen de gesprekken op over interessante onderwerpen als entogene dingen en psychedelische ervaringen, jawel hoor, ik was weer thuis. Het was fijn maar nu was ik weer opweg terug naar Jerusalem en eigenlijk de Rainbow Gathering in het zuiden. Langs het meer van Gallilee (kom op, het is echt geen zee) lifte ik in al haar groen heid en door Tiberius, stad van het water. Zo was ik in alle vier heilige steden geweest en mag nu dus zeggen dat ik wat van het heilige land gezien heb. Over de Jordaan ging ik en binnen een uur was alle groenheid weer verdwenen en waren we weder in de droogte van de woestijn oftewel in Palestina. Zuid ging het langs Metzukei Dragot om te informeren waar die Rainbow dan wel werkelijk was, en zie, daar vond ik weder Vita, in alle stilte, met een ezel, en een stel andere heksen. We teamden up en vertrokken al gauw uit Metzukei, met ezel en al. Maar op het moment dat we op het punt stonden te vertrekken net tussen twee regenbuien in verscheen daar ineens de zon en toverde daar voor ons een perfecte dubbele regenboog helder staand over de dode zee, met beide voeten in het water. Het was de regenboog brug, de poort naar het infinitum van de ware wens, hij verschoof en zo was nu een poot in israel, en de andere in Jordanie, wij hadden ons teken luid en duidelijk, we vertrokken. Zo liepen we zuidwaarts, s'avonds ons kamp opslaand op een plek met eten voor ons lieve dier genaamd Shira , en in de morgen rustig verder trekkend door het alsmaar veranderend landschap. Zo kwamen we langs Ein Gedi met haar vele bronnen, Masdada, het laatste toevluchtsoort van de oude Joden en uiteindelijk bij de ingang van de bergen waar we wel in mochten met de ezel. Zo klommen we omhoog en geraakten in de woeste wuste doorsneden met steile wadis en kale heuvels met zo goed als geen water. Toch speelden we het klaar vier dagen te lopen door dit land, water bietsend van passerende bedoeinen en water kokend uit een stille poel die over was gebleven na de laatste regens. Vooral water voor Shira was een kunst, dat dorstige diertje dronk soms wel tien liter op een dag! Maar het lukte ons, eindelijk waren daar de laatste bergen die we zouden moeten beklimmen om het magische bos te vinden, hier midden in de woestijn, waar de Rainbow plaatshield. Het begon die morgen met regendruppels en gauw veranderde het in een ijskoude storm die ons tot op het bot verkilde. We waren nu ook al op negenhonderd meter en eenmaal in het bos werden we omringd door pijnbomen. Toen zagen we de eerste steenmannen, de wegwijzers naar het kamp en zodoende waren we algauw 'Welcome Home'. Het was ons gelukt het kamp te bereiken maar ook hier liet de wind en regen ons niet met rust. Twee dagen tergde het weer ons slechts met korte onderbrekingen niet lang genoeg om onze natte slaapzakken en waar te drogen. Het was dus wel een rainbow, maar dan met de nadruk op Rain. Zodoende was het niet echt een genot, ookal was het erg gezellig met muziek en zo, om onder een slecht lekkend zeiltje te slapen en vertrokken Vita en ik dus al vrij spoedig, met nog twee anderen, weer liftend naar beneden. Arad was onze eerste stop en we genoten van de geneugten van Babylon, brood, humus en fruit, oh wat een feest. We waren opweg naar De ashram in the dessert, Ashram Bamidbar, en na een zeer sucsesvolle dag liften kwamen we daar dan ook net na zonsondergang aan, gekleurde lichtjes, foto's van Osho en prachtige stralende mensen, oh men, ik voelde me zo thuis, zo vredig en rustig, heerlijkheid. Vijf dagen was er festival voor de Walk About Love. Vijf dagen kleurigheid, psychedelische muziek, bahjans zingen, meditatie en liefde. Ik sliep in een dome en genoot van het eten, werkte in de schoonmaak, Yes, outer cleaning is inner cleaning. Het is letterlijk midden in de woestijn, plat en drooge stenen, en Jordenie hoog oprijzend aan de overkant van wat de dode zee vallei is, en nu droog ligt in een diepe snede in de aarde. Buiten licht een labyrint in het steen gegrift, binnen is het groen en hemels, het is de Ashram Bamidbar. Toen vertrok de stoet, waar dit hele festival om begonnen was en ik voegde mij bij hen. Het is de Walk About Love 2009, een kollone kleur, licht, inspiratie en muziek in een poging vrede, liefde en respect te versprijden in deze vertwiste landen. Een groep van tussen de tachtig en honderd vrouw en man te voet door de Negev en Arava woestijn. Elke nacht weer een kamp met vuur en eten en gezelligheid, een wandelende rainbow, maar dan met een helderder missie. In elk gehucht dat we aandeden een explosie van vrolijkheid en verbaasde bewoners die zich soms schenen af te vragen wat er met hun gewone stille leventje gebeurt was en waarom hun dorp overspoeld werd door heuse hippies. Steeds verder trekkend met de stilte maar ook het gebabbel in de woestijn. Groots de bergen waar we doorliepen. Diep uitgesleten door de eeuwen, kloven scherp met trappetjes, hoogvlakten, opgedroogde watervallen die soms overvloeien met het schaarse bloed van de aarde. Uiteindelijk bereikten we Machtesh ramon. Over een vlijmscherpe klif komend lag daar voor ons een reusachtig brede krater of iets wat daar op lijkt, wat werkelijk een opstapeling is van natuurlijke catestrofale gebeurtenissen. Twee hele dagen duurde het om het over te steken waarbij ik mij voornamelijk bezighield met het organizeren van het volgende kamp in een soort van orde. Mijn laatste dagen in de Walk waren we naast de grote Machtesch in het dorp Ramon en kampeerden in het park aldaar tussen de dennen. Roy Little Sun deed er een equinox Sacred One Heart Dance van een heel etmaal en de drum klonk continueus door de nacht. Liefde was overal en ook ik ontmoette weer de schone Mai met wie ik ook het vorige weekeinde gespendeerd had en deelde met haar haar kleine tentje in de zonneschijn. Na twee dagen en nachten was het tijd om te vertrekken en het grootste deel van de groep vertok per bus om even verder weer verder te lopen. Ik bleef echter achter met nog een groepje andere zealots die allen zo hun eigen plannen hadden. In mijn tijd in Israel heb ik vijf keer de hoge bergen beklommen die oprijzen uit de dode zee en telkens als ik dan om keek was daar Jordanie. Met haar scherp oprijzende bergen geduldig wachtend tot mijn tijd gekomen was en ook ik die richting zou moeten keren. En tijdens de wandeling, als we weer door de macht en pracht van de overdonderende natuur liepen, voelde ik dat nu mijn dagen in het heilig land geteld waren. Het is weer tijd voor mij om nogmaals te transformeren, mijn hoofd te draaien ookal lijkt het voor de mind een onlogische beslissing, het universum kent geen twijfels. Zo was ik dus in mijn kracht toen ik innig mijn vrienden omhelsde die ik hier gemaakt had, de astrale zon van Gal, David de mysticus, mijn innige vriendin Vita en Atlantiskind Elat. Ik heb ze allen zo lief, maar ga nu weer naar de aleenigheid, de commune met de Cosmos in, en Arabie. Ook was ik nog een nacht in de Ashram opweg naar Eilat om de laatste dag van de tolkin af te wachten, het was gele planetaire zon, de laatste dag van de krachtige middenkolom en morgen was het spectrale draak, ja, het was tijd. Heerlijk was het om vanuit de levendige harmonieetijd van de woestijn en de oasis van de Ashram in de morgen opweg te kunnen gaan. Zonder reden, maar met alle vertrouwen, dat het goed komt.

donderdag 29 januari 2009

22. Eternal



Cairo, de gekte te boven, boven de gekte, de eeuwige tempels. In het holst van de nacht ontwaakte ik, buiten was het nog stil en bij het licht van een kleine kaars was vluch gekleed en opweg door het duister. In een ijzige vaart schoot ik door de nacht in een minibus met open deur en belande zo algauw bij het hek van de piramides die in de schemer daagde als een grijze schaduw van aanwezigheid. Pas om acht uur mochten de drommen er in en ik was als allereerste door het hek en stoof om de grote stenen kolossen. Pas bij de Sfinx aangekomen ging ik zitten. Nou ja, de Sfinx, eigenlijk meer het Sfixsje, dat viel even vet tegen, van de stenen berg die ik mij voorgesteld had was enkel een soort oversized huiskat overgebleven! Eniway al speecend op de strakke woesijnlucht ao liep ik het zand in om een beetje ruimte te krijgen en zag zo de drie en de zes kleine op een rij liggen in hun galactiesche formatie. Ik zwoof uren rond de twee rode piramiden en de grote witte. Totaal niet in staat hun formaat te bevatten. De eindeloze opstapeling gigantische blokken steen, de rijzige wanden ongenaakbaar geel. Het is als tienduizend grote oude tempels bovenop elkaar gestapeld. Van de vele wereldwonderen die ik inmiddels aanschouwd heb kon ik me altijd als ik daar eenmaal was wel inbeelden dat het eventuween nog wel door mensen gemaakt zou kunnen zijn, maar niet deze. Het zijn bergen, echte bergen, kunnen wij zulke bergen verzetten met de menselijke wil? Dan, naar de ingang van Cheops, in de rij, een korte, maar een rij, doch met een waardig gezelschap. Okey in we go, door de inbrekers ingang, de echte poort nog enkele meters en enkele tienduizenden tonnen steen boven ons. Dan is daar de schacht, strak en onfeilbaar. Gebouwd met astrale technologie. Als je dit ziet is er geen enkel twijfelen meer aan, dit is een galactische machine... Omhoog, het stale geluid van de treden in mijn oren, breek door in de grote gallerij. Oh thank osiris for the stars. Ik stuiter de koningskamer in. Hijgend van de klim en de hete lucht, de focus van cosmische energie. Ik glijd om de zwart stenen 'sarcofaag'. Oh man dit is echt een van de meest orgasmische momenten van m'n leven. De energie. De druk van tweeenenhalf miljoen ton geordend steen om je heen. Even is het leeg en ik zing, resoneer met de Pyramide, los bijna op, begrijp nu wat dit is, ik ben al half in een andere dimentie, Leven. De gehele dag was ik daar, bij de piramiden, en verkies geloof ik de kleine pyramide, de kleine pyramide?! Are you insane?! Kleine pyramide! Ik sta op slechts Een blok en het is een dikke rots van minstens vijf ton. Het licht ging en de zon zonk weer in de zanden, licht, duister, stilte en gelukzaligheid. De dagen daar op ook nog naar de rode en de gebogen pyramides geweest, ook gigantiesch en vol grote hoge kamers vol vleermuizen, bijna geen touristen en midden in de woestijn, heerlijk. Dan weg van deze geweldige stad, in al haar chaos en drukte houd ik van haar. Ik schoot onder het zues canaal door waar grote schepen wel midden in het land lijken te staan, een onophoudenlijk caravaan van drijvend staal. Sinai is een land van grote schoonheid en ook van wat melancholie. Tussen al de droge bergen van rood graniet overleven hier en daar grillige bomen met witte stammen en roze bloemen waar soms verdroogde geknapte granaatappels op een natter seizoen wachten. Een week was ik in het heerlijke dal van St. Katherina en maakte menig fijne wandeling in de schone omgeving, waar veel bedoeinen wonen in huizen van gestapeld steen die mij veel aan mijn tijd in Marokko deden terug denken. Met drie vriendige duitslanders beklom ik op een middag de berg van Mozes waar wij na het vallen van de nacht sliepen in een simpel theehuis met een samengebracht maal van koude falafel, brood en Panda kaas! Na tot op het bot verkleumd te zijn geraakd in onze poging de zonsopkomst vanaf de top te aanschouwen was het er dan. Een eindeloos verstillend VSM effect van droge lege bergen van de Sinai die rood, oranje en beige in een grijze waas aan ons getoond werden. Daar was hij dan, de eerste stralen schoten als naalden over een verre bergkam en verwarmden onzer harten. De dekens afgelecht spoeden wij ons nu al gauw weer naar onder tussen de menigte van bedevaart gangers en Russiesche toeristen. Het klooster lieten wij voor wat het was mede, uit respect voor de monniken en zo rijsde ik weer door, nu naar het verboden land. Langs de kust van de Rode zee omhoog, met aan de overkant de uitgestorven bergen van Saoudi Arabia waar slechts enkele kleine dorpen s'nachts wat licht over het smalle water wierpen. En zo kwam ik bij die omstreden grens, de spanning tussen die twee posten, met bloed besmeurd land, zoveel strijd om dit stuk verzengende woestijn. Veilig in Israel aangeland voerde het lot mij richting Be'er sheba, ja die van de raketten. Maar op aanraden van twee leuke Rainbow broeders aldaar vertrok ik algauw weer terug naar de dode zee, waar ik na een nacht aleen op een berg bij een zeer relaxt hippie strand aankwam waar ik mij erg op mn gemak voelde. Na een half jaar tussen lieden verpoosd te hebben die me al vraamd aankeken om m'n ogen was ik nu volledig thuys en geaccepteerd. Het zout, overal, in glinsters op het strand, in je haar, in het eten. Alles vol vreemde mineralen en stoffen. Het water voelt meer aan als een chemische vloeistof en trekt allemaal trippende figuren op het oppervlak als je beweegt. Jordanie aan de overkant en dan maar druiven, drijven als een bootje. Het is zelfs zo extreem dat het bijna moeilijk is om te zwemmen omdat je je voeten niet doep genoeg het water in kan krijgen en te slaan. Hier verpoosde ik enkele zoete (nou ja) dagen in rust met gezamelijk eten, vuur, muziek en meer menselijke genoegens. De omgeving is droog en doods en enkel struik achtige bosjes groeien en en zoute planten (echt) die je ook lekker kan eten. Ik ontmoetten er menig vriendelijk wezen van de rainbow vibe. Zaterdag was er een Galactiesch feest, geinicieerd door een community uit het noorden en er werd eindeloos getrommeld en gedanst, er was warme thee, schoonheid en kruidige pijpjes... Hier vond ik een zielsverwant in Wita, die ik de dag er voor had leren kennen en we konden eindeloos smelten en genieten van de warme gezamenlijkheid. Zonder iets te moeten bereiken of willen, slechts een gedeeld verlangen naar eenheid, en zo waren we voor drie dagen. Ook zijn we naar een stel bronnen even verderop geweest waar zwavelrijk water uit de zilte bodem opwelt en zich een weg baant naar zee door de ongelofenlijke laagjes klei die net als speklkoek is en erg gezond schijnt te zijn het voor je huid. We dreven samen naar zee en dobberden eindeloos ever de vele verschillende soorten modder waarvan sommige net als plastic is. Twee wezens al naakt drijvend onder de zon. Haar vrouwlijkheid en mijn manelijkheid in eeuwige rust en balans in een evenwicht niet verstoort door woorden of gedachten, en dat alles voor het verbijsterde oog van twee ortodoxe joden die daar toevallig ook een bad namen. Die avond kookten wij samen voor iedereen die maar eten wou, met liefde, en iedereen vond het heerlijk en er was precies genoeg. We gaan constant door fasen, dit te weten helpt mij ideen los te laten van missen en weemoed en zo kan ik steeds meer genieten van hoe het alles vloeit en in het nu is. Zo ging het verhaal verder met dat ik de bergen in liep in het eind van de middag en aleen sliep in een lage grot in de woestijn, voor het eerst van m'n leven (de grot slaping). Door een lange canyon lopend bereikte ik uiteindelijk Palestina, of de bezette gebieden en hier werd pas echt de ware aard van Israel zichtbaar. De onmogenlijke situatie die hier leeft van mensen gevangen in hekken en muren, gevangen in gedachten en geschriften. Vrees en haat die het leven vormgeven van menig man. Precies negen maanden op de dag nadat ik mijn voordeur in Amsterdam achter mij had dichtgetrokken schreed ik de poort van Jeruzalem binnen en was een groot deel van mijn queeste volbracht. Het is een ongeloofenlijke stad, de eeuwige stad van leven en dood. Einderloze stegen en straten vol strappen en glimmende gele straatstenen gepolijst door eindeloze voeten van pilgrims, priesters, muddhezins en ribbis. Alles mixt hier. Iemand zei dat Jeurzalem wel een eigen set engelen moet hebben om te zorgen dat het hier iig. het meest van de tijd redenlijk goed gaat. Het is soms net een lange tunnel vol winkeltjes met oosterse snuisterijen, wierook en zoete lekkernijen. Mannen en vrouwen in lange gewaden zwart en gekleurt trekken voorbij. Kinderen spelen tussen muren van eeuwige oudheid. Ik zag grafitti uit 1653 in de 'church of the holy Sepulcre' het graf van Jezus, althans, de plek van het kruis. Indrukwekkend en magisch, duister en mysterieus. En dan is er natuurlijk de klaagmuur en het prachtigge blauwe wonder van de Dome van de rots die stralend goud in het zonlicht schitterd boven de wirwar van de stad, binnen de oude muren van Jerusalem.
(PS. Mocht je door mijn verhaal of om wat voor reden dan ook je bewogen voelen om producten met het beroemde Dode zee zout te gaan kopen, weet dan dat het niveu van dit water per jaar zo'n twee meter daalt wat een vresenlijke natuur ramp is en waar de dodezee zoutindustrie direct aan bijdraagd. Dank u).

maandag 5 januari 2009

21. Samen op reis

En zo kwam het dat na vijf heerlijke luie dagen in Cairo ik op de avond van de vijfde opweg ging naar het vliegveld om mijn moeder op te halen die daar rond negen uur zou arriveren. Nou was ik al om half zes de deur uit gegaan omdat iets in mij zij dat dat het goedde was om te doen. Mijn hoofd sputterde nog wat tegen van; ga toch nog even naar het cybercafe ofzo maar ik liet mij niet vermurmen en, zo bleek, maar goed ook. Het is namenlijk zo dat in geheel Cairo tussen vijf en negen het verkeer totaal vast zit terwijl 22 miljoen mensen opweg zijn naar huis of waar dan ook heen. Hoe dan ook, ik kwam er net op tijd en zo zag ik na een tijdje een roodachtich tiep verschijnen achter de glazen wand waarvoor vele opgewonden luitjes zich verdrongen in een woellige zee van achterhoofden. Zij zag mij niet en zo was het dat ik haar onverwachts op kon wachten om haar in mijn armen te sluiten na een halfjaar van aleenigheid. Er was een langdurig moment van synergie en gelukzaligheid die nog voortduurde lang nadat we samen in Giza waren aangekomen in mijn kamer in het Sinai House hotel. Nog maar net bekomen van aanvankelijke opwinding kwam er een wonderlijke stroom van kadootjes uit de grote boodschappen tas die daar op het kleed stond, en lag al gauw de hele kamer bezaaid met heerlijke en leuke luxerijen die ik al een tijd niet meer gekend had zoals bijvoorbeeld: Zeewier, een chocolade letter, werkende blauwe balpoints, geitenkaas, warme kleren en nog veel meer. Het was dus en waar herenigings feest en zo droomden we die nacht weg in de droom van een gezellig Egypte. Nou ja, niet zo best eigenlijk want door het lawaai buiten sliep Aniet niet zo goed en zo zetten we de volgende dag de trend voor de rest van de vakantie om steeds te verhuizen de dag nadat we waren aangekomen die we pas verbraken toen we weer terug kwamen in de hoofdstad. Jaa want na een middag de oude stad te hebben verkent vol met kruidigge winkeltjes en fijn gekleurde moskeen met hoge minaretten namen we toen vroeg in de morgen de trein derde klas naar Asoewan in het zuiden. We gleden heerlijk door het landschap zoals dat wel vaker is als je in de trein zit in een onbekend land en buiten waren de groene velden vol ezelkarren en mensen die schoven gras opbonden. Exotische bossen met vrolijke vogels en soms de Nijl waarlangs veel sappig riet groeide. We kwamen laat aan in Asoewan en aten die avond nog falafel op bed en maakten onze eigen salie anex griekse bergthee thee die we meer dan tien jaar geleden ook op kreta hadden geplukt en hier weer hadden hervonden in de stegen van Khan el Khalilli. Het ochtendlicht gekomen verkenden we het eiland dat voor Asoewan in de Nijl rust en waar het heerlijk rustig was vergeleken met de chaotische straten van de stad. We zagen onze eerste heroglyfen in de ruines van de tempel van de god met de rammen kop, Khnum en genoten toen van een kopje egyptische thee bij de locale groenteboer onder de schaduw van een reusachtige overhangende boom. Wat een genot om hier zo met mijn goeie moedertje te zitten, sippend en luisterend hoe zij haar zachte wijze woorden uit. We wandelden door de sappige tuinen vol sla en ander lekker groens en werden toen over gezet naar de verre oever in een klein roeibootje voor een wandeling door de woestijn naar een, zo bleek later, dicht klooster van de oude Kopten. Het deerde ons niet, het geheel was zeer aangenaam en zo verstreek de dag genoegelijk. Te vroeg gingen we toen de caoster in (klein busje met veel ramen) dat ons door het duister richting Abu Simbel reed. Langzaam verscheen het licht en toen de rode bol van de zon boven de uitgestreken leegtes van stof. Ja we waren in de echte woestijn, geen plantje, geen verpenterd korstmosje te bekennen, echte woestijn en dan af en toe een groene orgie waar een oase zich aandiende langs de weg, wat een bizar gebeuren. Wat ook bizar was was dat ookal reden we voor onze 'veiligheid' in een colone van een bus of dertig en we zeker niet als eerste de poort door waren, we toch bijna alleen de ingewanden van de grote Ramses tempel konden bewonderen, wat zeer plezant was. Dit bouwerk is veertig jaar geleden in z'n geheel verhuisd toen het water van de Asoewan dam haar bedreigde, maar dat doet niet af aan haar inpozantie. Het origineel was geheel uit de rots gehakt en de kamers zijn daarom nu athmospherish verlicht waardoor er een grote sfeer hangt daarbinnen. Dit was mijn eerste echte tempel (Khnum is wijnig meer dan een hoop puin) en ik was zodoende betoverd door de schoonheid en elegantie van de fijn uitgehakte tafrelen en de grote harmonie van het geheel, afgezien van de plaatjes van Ramses II die zo vaak ie de kans krijgt zichzelf laat afbeelden terwijl hij een bos vijanden bij het haar bijeen houd en met de andere hand op het punt staat hen te decapiteren. We keken onze ogen uit aan de grote stenen reuzen van zo lang gelee en reden toen in een gekkenvaard terug naar de stad met nog een vluchtige stop voor het tempel eiland van Phileae waar meer megalitische bouwsels ons wachten met grote muren en dikke pilaren. Ik voelde me het fijnst in iets dat ze 'de Kiosk' noemden dat een groot open ding was ommuurd met prachtige zuilen met bloemenkroonen die allen verschilden en een natuurlijke delicatesse uitstraalden die mij onmogenlijk cultureel bepaalbaar leek. Nog die avond boekten we een dolle falucca tocht over de Nijl die in de late morgen zijn aanvang nam, samen met Kapitein Lulu en zijn maat in de Nubian Breath.
Een falucca zoals dat op de Nijl word opgevat is een kleine rondachtige zeilbood met 1 mast met een zeer groot zeil om zo goed mogenlijk gebruik te maken van de soms zwakke woestijnwind. Wij hadden de eerste dag echter helemaal geen wind problemen en schoten dus rap al kruisend over de baren, soms zo scheef dat het blauwe water bijna over de rand kwam zetten. Maar alles ging goed en later ging de wind wat liggen en kregen we een heerlijk luxe lunch geserveerd van falafel en salade, broodjes en... Panda kaas! Wat een ontdekking, feta uit een pak, en werkelijk verukkelijk. Zo zeilden we over de Nijl met haar gouden oevers waar zwart witte koeien graasden en leuke toefachtige palmen groeiden voor de verblijding van ons ieders oog en het geheel was tot ons groot genoegen een waar oerachtig tafreeltje. We sliepen op het zachte zitplatform dat het grooste deel van het dek in beslag nam met de warme bloemendekens die de bemanning ons gegeven had. we verloren ons in de heldere sterren die ons herinnerden aan de tijden van weleer, toen de faraos deze waterwegen bevoeren en Osiris heerser was over al deze landen. Toen we ontwaakten was er niet het minste beetje wind en dus lieten we ons met de stroming meedrijven wat echt een van de meest relaxende dingen was die ik ooit het meegemaakt. Het was perfect tranquiel, rust inbrengend genot van de hoogste classe, en wij voelden ons dan ook als de goden op een wolk. Later ontwaakte Jan de wind blijkbaar toch en dus zeilden we weer verder de Nijl af, voor onze laatste nacht alweer. Op een zandstrandje meerden we aan en ookal was het er verre van schoon, het weerhield ons er niet van die avond een vuur te ontsteken samen met alle andere aanwezige falucca tocht vaarders en er waren mensen met trommels en handgeklap en ik fabriceerde een oer xylofoon van wat opperbeste brandhoutjes en er werd gezongen dat het een lieve lust was. Nog voor het ochtendgloren staken de bemanning die morgen van wal terwijl wij nog lagen te dommelen en arriveerden zo bij ons laatste aanlegpunt. Het had van ons mischien nog langer mogen duren maar het was nu zo en voor we onze weg voortzetten over het harde stof bewonderden ik samen met Aniet de jonge bananen planten aldaar en de tere dieprode blaadjes van de jonge mango boom. Zo stoven wij nu verder in een Laotiaanse stijl songthaew wat een pichuptruck is met opbouw met een open achterkant zodat het opgewaaide stof heerlijk de kans krijgt over je neer te dwarrelen. De eerste stop was bij een tempel die wij aan ons voorbij lieten gaan vanwege de vrees voor de alom beruchte tempelofytis oftewel tempel verzadiging maar de tweede lieten we ons niet ontnemen. Dit was de Tempel van Horus, de valk god waarvan alle levende faraos een incarnatie waren, stierven ze, dan gingen ze naar het hiernamaals en werden ze Osiris en een ster aan de nachtelijke hemel. Hij stond dan ook superhumaan afgebeeld op de voorpui of de eerste pylon wat een groot soort muur is die lichtelijk helt met een poort in het midden, vaak erg hoog, zeg een metertje of vijftien. Binnen aanschouwden wij vele ons onbekende herogliefen omdat dit een tempel is uit de late tijd toen ze er al meer ontwikkeld hadden. Ook we zagen ook fijn uitgehakte schepen met zeer realistische zeilen en een Horus die een klein neilpaardje aan het speren is wat voor de mensen van toen de zelfde betekenis had als het tafreel van St. Michael en de draak wat voor de oude Egyptische Kopten het meest belanrijke is. Zo kwamen we in Luxor wat in oude tijden de hoodstad was van het laat faraonisch rijk en nu de Egyptiesche hoofdstad van het toerisme. Het stikt er dan ook van de toeringcars, zwermen wegklikkende toeristen, te luxe hotels en zwart met zilver beslagen open rijtuigen die wel uit 1850 lijken te stammen en eigenlijk prachtig zijn en zeer authetiek, afgezien van de vele kleurige reflectors en paarden met namen als Rambo en Charlie Brown. We sliepen die nacht in een hotel met echt een overdosis aan Bob Marley vlaggen en een te chill zitplatform maar werden er in de morgen uit gejaagd omdat ik er van beticht werd een Japanner te proberen te behoeden van de afzetterige practijken van de hotel staf. Fine, aleen maar ten goede zo bleek later want zo kwamen we te wonen in het kleine Grant hotel met zeer aardige staf en een prachtig uitzicht vanaf het dakterras over een zee van schotelantennes en onafgebouwde daken vol antieke kapotte fautuils, stenen kruiken, duiventillen en stapels stoffige bakstenen. We genoten zeer van de oud italiaanse sfeer die er hing tussen de vergeelde muren van onze kamer en voelden ons er direct thuis. Luxor heeft eigenlijk te veel te zien en nog steeds met het gevaar van tempelofytis in ons achterhoofd kozen we een bescheiden selectie van bezienswaardigheden en vertrokken zo na een simpel ontbeit op de fiets naar de necropolis van Thebes aan de overkant van de rivier. De eersten die ons groetten waren de kolossen van Memnon, zoals ze worden genoemd, waarvan er een het mysterieuze fluitende beeld was wat de Romeinen al voor een raasel zetten. Als degenlijke Hollanders trapten we stug door en zo kwamen we algauw bij het complex van Medinat Habu, wederom een bouwsel van onze grote vriend de Macabere Monarch, Ramses II. Hier stonden wij echter perplex van de helderheid en pracht van de kleuren op de zuilen en plafonds, muren en poorten. Zo'n onaangetast spectakel hadden wij nog nimmer aanschouwd. Op vele plekken zat het helder turquoois, bloedrood, zonne geel en diep blauw na drieduizend jaar nog strak op de muren, daar kan Histor nog eens een puntje aan zuigen! Er waren veel mooie rode Cobra's en afbeeldingen van Isis, de vrouw en zus van Osiris en Thot, de god van het schrift en de wijsheid. Alles hier was groot en we dwaalden dan ook voor uren rond tussen de oude stenen. Toen fietsten we naar de tepel van Hapsepsut waarbij Aniet een lekke band kreeg maar niet getreurd, daar was gelukkig een fietsenmaker (jawel!) die de band pakten terwijl wij onder een boom van een kopje sterke thee genoten bij de dikke betulbande uitbater en zijn niet slankere maar tevens zeer aardige vrouw. Hapsepsut viel ons eigenlijk wat tegen dus stoten we gauw door naar de tombes van de nobelen zoals dat heet. Het zijn een stel tombes (verassend he?) in een stofige bergwand waarvan de meeste vanwege weinig interesse in nogal slechte staat verkeren, maar drie ervan vonden wij toch wel ergmooi. De eerste was aleen een soort lange hoge gang met daarop eindeloze tafrelen van in het wit gehulde arbeiders, rechts vrouwen, links mannen die honderd en een werkzaamheden uitbeelden van drieduizend jaar terug. Er waren bronsgieters, en lieden die meubels maakten, broodbakkers en schaapherders, vrouwen met eye-liner potjes en mattenvlechters, het was echt brilliant. Dit waren de 408 mensen die de overledenen meekreeg naar het hiernamaals zodat hij zelf niet hoefde te werken. Toen was en een diep gat in de grond met een trap waar onder we in en crypte prachtige kleurijke afbeeldingen zagen van vriendelijke 'middenstanders' die dus duidenlijk er anders uitzagen dan de koningen en plus het feit dat al de goden ontbraken. Dit deed echter niet af aan de fijngevoeligheid waarmee het geheel geschilderd was en het hele plafond was versierd met leuke paarse druiventrosjes en trippende geometrische figuren zo fris alsof ze slechts vorige week aangebracht waren. Als laatste was en een grote tempel half in de grond voor een generaal van, raad het eens, jawel, Ramses de macabere waar alle kleur ontbrak maar de tafrelen slechts uitgebijteld waren in wit steen en slechts geaccentueerd met zwarte lijntjes rond de rustige ogen. Lange processies waren er die de grafgiften droegen en lieden met ongelofenlijk prachtig fijn haar in vele laagjes en allen verschillend. Toen was het genoeg en was het ook laat en fietsten we dus terug naar huis, naar ons veilige bed in het petit Grand. Nu hadden we nog een plek te bezoeken, maar dan ook wel de grootste van allemaal, het kollosale Karnak. Alles is daar Megalomaan groot, mega pylonen, een stuk of 11, reusachtige poorten, een hele boel, mega scarabee van twee ton, giga zuilen, iets van 134, twee tot drie meter dik, 17 meter hoog. Joekels van obelisken, een hele zooi, tot 29 meter hoog, iets van 1100 ton rood graniet uit een stuk. Je snapt het al, er komt geen eind an. Daarom hou ik het bescheiden en vertel aleen dat Aniet en ik een tijd fijn in rust ver weg van de drommen hebben gezeten op een verlaten stuk vol vergeten stukken tempel en geitenkeutels in de warme ochtendzon. Het was altezamen een indrukwekkende ervaring en toen we ons verzadigings punt bereikt hadden liepen we naar de uitgang. Maar voordat we daar waren stond ik oog in ook met een reusachtig altaar dat midden in de eerste grote arena stond. Een massief blok albast zo'n twee bij twee en een meter hoog, vergeven van prachtigge kristallen in lagen erdoorheen geweven in witte sporen van heerlijkheid. Ik werd er als een magneet door aangetrokken en het maakte me zo blij het aan te raken, vreugde stroomde in mij en ik liep er drie keer vervuld omheen alvorens mij los te rukken en naar de uitgang te lopen alwaer mijn moeder lief op mij wachte. Nu hadden we genoeg gehad van alle herogliefen en scarabeen, uilen en stenen en dus maakten wij ons uit de voeten door middel van een gedeelde taxi die ons nu de wilde natuur van de woestijn deed ontmoeten. Binnen vijf minuten uit de stad hadden we het groen achter ons gelaten en waren we wederom in de droogte. Plat, kaal en uitgestrekt beschrijft wel ongeveer het landschap, alswel verdovend mooi, stil en mysterieus. Die avond geraakten we in een oase genaamd Dakhla, mmm, was ik niet eerder in een Dakhla, maar dan aan de andere kant van deze woestijn? Ja daar was het, in de westelijke Sahara dat ik voor het eerst kennis maakte met het schrale leven op de rand van de twee zeeen, de blauwe, en de gele. Ons doel was de oase van Farafra en die bereikten we dan ook in de namiddag, na lang langs een bijna onechte bruin-rode klif te hebben gereden die behalve de eeuwige zon ons enige houvast was van afstand en richting. El Farafra was vijf jaar geleden niet meer dan een verzameling adobe hutjes maar sinds de regering heeft bedacht dat ook dit stuk van het land mee moet varen in de vaart der volkeren is er in rap tempo beton gegoten en lijkt het nu dus betreurenswaardig veel op elk willekeurig ander dorp behalve dan dat het word omringd door niets dan regenloze woestenij. Enfin we vonden een slaapplek in een grappige stenen bedoeine bunker of huis zonder raam die ijzig koud was maar bij gebrek aan beter lieten we het erbij en namen nog die avond een bad in een warme bron buiten het dorp, yess. De volgende dag namen we een belachenlijk dure toer naar de witte woestijn, die hier erg beroemd is en erg mooi. Ik weet niet of mooi echt de juiste term is maar het is iig. erg bizar, speciaal en iets wat je niet elke dag ziet en toch ook wel bijzonder. Het is een kalk woestijn vol vreemde door de wind of water uitgeslepen torens, heuveltjes en reuze paddestoel achtige figuren en de grond licht op plaatsen bezaaid met zwarte versteende zeelelie stengels, schelpjes en speecende zwarte bollen vol pyramides die wel iets van een pyrietknol weg hebben maar dan geometrischer (aleen voor de kenners). we lieten ons in dit buitenaardse geheel afzetten en spraken af zes uur later weer te worden opgehaald. Zo liepen we ons verwonderend over de witte grond en bergen die soms net iets weg hadden van versteende golven op zee bij sterke vind maar dan spierwit. We liepen en zaten onder een eenzame palmboom, we trokken en zagen vele sporen in het witte zand, van kamelen en vogels, scarabeeen en vosjes? Uiteindelijk kwamen we bij een soort open vallei waar we een wonderlijk schouwspel aanschouwden. Op voetstukken van kalk waren grijs verglaasde schollen, die dun en ver overstaken als dunne schilden in de lucht. Aniet, muziekaal als, ze is vond uit dat je er heel leuk op kon tikken en dat ze dan een lieflijk geluid voortbrachten als een soort tonenspel. Zo speelden wij in het niets en werden de tonen weggedragen on de woeste wind. Verder gingen wij tot het hoogtepunt van een witte berg vanwaar wij de gehele uitgestorven omgeving gade sloegen in al haar stilte en schoonheid. Gelukkig vonden we ons meetingpoint weer terug en werden zo nog wat rondgereden tot de reuzenpaddestoel alwaar wij het ondergaan van de zon in duizenden kleuren gadesloegen. Op de laatste dag van het oude jaar maakten we een fijn wandeling door de 20.000 palmen van de oase waar ook rijst en andere gewassen groeiden op het rijke water van de vele bronnen. Een daarvan zouden wij die nacht bezoeken voor een warm nieuwjaarsbad onder de sterren, Orion Osiris en Sirius Isis, helder aan het hemel gewelf alswel vele anderen van onze dierbaren die fonkelden al was het het mooiste stille vuurwerk. Bij kaarslicht baaden wij in dit geschenk van moeder aarde en baaden het vuil en de moede van onze reis van ons af. Onze toer zat er op, afgezien van de laatste rit, terug naar de hoofdstad. Na wederom de witte woestijn overgestoken te zijn werd het landschap nu getekend door de zwarte puisten van vele uitgedoofde kraters van vulkanen oud, verbrokkeld en geslecht door de wind en tijd in dit barse klimaat, doch statig standhoudend tot de laatste slak en steen. Zo belanden we terug in de gekte van Cairo, het duister reeds gevallen het licht verdwenen. Maar toch, daar achter de bomen langs de straat dacht ik twee bekende vormen te ontwaren. Is het waar, kan het echt zijn dat we langs 'de drie' rijden. Ja zowaar, daar rijzen voor ons op de gestalten van Cheops en Khafre, de pyramides van de astrale koningen, de eeuwigen, dit is geen droombeeld, we zijn terug in het land van de Doeat, de hemelse poort (zie het 'Orion mysterie'). Twee laatste rustige dagen spendeerden Aniet en ik in de grote stad en zagen menig oud en interesant moskee, Coptesche kerk en synagoge die grappig genoeg toch zo veel op elkaar leken, zo mooi de versieringen, zo rustig de atmosfeer, zo harmonieus het geheel. Zo versteken onze laatste momenten tezamen in Egypte, de vreugde van het samen zijn en het plezier van het kunnen delen van onze gedachten en geneugden die wij toch zo vaak gelijk hebben. Het was een wonderschone ervaring met mijn moeder zo te reizen, te leren, te leven. Er is toch eigenlijk geen einde dus het enige wat ik deed was haar op het vliegtuig zetten in een wolk van heerlijk warm moeder-zoon gevoel en een diepe wetende intimiteit. Zo was ik weer soort van aleen, niet echt natuurlijk maar een beetje, en verhuisde terug naar het geliefde Giza naar mijn oude hotel aldaar. Sinds dien heb ik al weer heel wat beleefd, heb rondgedart en gezworven en ben gisteren naar 'De Drie' geweest. Maar dat hoort niet bij dit verhaal en zodoende vertel ik dat dus volgende keer. - Voor wat fotoos van dit geheel kunt u hier rechts op 'Fotos' klikken en dan Aniet en Egypte selecteren. Voor nu, vaarwel en Meh selehma. -




maandag 15 december 2008

20. Ouroboros

Ik was dus in Foumban dat op de vooravond van het grootste feest in twee jaar stond. De eerste avond van het Nguon festijn was er veel muziek en traditionele dansen bij het paleis van de Sultan waar honderden mensen samengekomen waren om het 252 ste jubileum te vieren van een overwinning van de twaalfde Sultan over twee of drie andere stammen. Het hele festijn is dat ook een soort afspeling van wat er toen gebeurde en alles erg kleurig en uitbundig. De centrale figuur op de foto hiernaast in het beige is de reusachtigge Sultan en daarnaast de afgezant van de franse ambassade die het geheel sponserd. Er omheen zijn de Sultan's lijfwachten en hoog kamerheren en raadslieden, allen in traditionele gewaden gehuld in de optocht. Op de tweede dag was er een eerboon van alle onderworpen stammen aan de grootheerser. Ik slaagde er in dit hele spectakel compleet te missen omdat ik de vorigge blog aan het typen was in een internatcafe met stroomgebrek. Dit bracht mij echter in een heel aparte stemming waardoor ik in staat was de overigge gebeurtenissen extra te waarderen. Er was een spannende stemming in de lucht en niemand droeg iets anders dan zijn aller beste nieuwste outfit. De meest stralende gehamerde bubu's voor de mannen in vele tinten en hun mooiste witte gebeds kapjes op bestikt met afbeeldingen van de Kabaa of de moskee in Madina, oogverblindende gewaden voor de vrouwen met glitter sjaaltjes of lange kapuchons met gouden ponpon's eraan. Die avond was het een drukte van je welste in de paleis gronden en verzamelden weder nog meer stammen zich er om uren lang te trommelen en dansen in hun prachtige traditionele gewaden met slierten en vele kleuren. Er liepen ook een aantal sjamanen tussen het volk gekleed in hun medicijn kleding behangen met vele atributen. Apenschedels, gedroogde kamelions, adelaarspoten, rieten mandjes en zelfs een met een hele krokodillen kop, een grote tooi op hun hoofd soms versierd met fluoricerende veren. Lang danste ik met deze vriendelijke mensen, alles door elkaar gehusseld, Moslims, wilden, sjeiks, kinderen met zakdoekjes, toeristen. Een groep Pygmeeen uit het bos trommelden en zongen tussen de menigte, zulke zachte eerlijke mensen, hun gezichte straalden ware uitgelatenheid uit en vrijheid van een volk nog niet geknecht maar levend aan wat nu de rand van de jungle is. Er waren raps rapsen en lange trommels en rinkel dingen en houten oer xylofoons en klankhoutjes en er werd met manden gedraaid terwijl ze dansten. Soms moest er even een hoge pief door en dan werd de massa uit elkaar gedreven zodat de sultan zichtbaar werd die op zijn troon zat op het voorpoortaal van het paleis. Laat werd het die avond maar toch was iedereen de volgende morgen weer vroeg op voor de mars naar de stadspoort. Dit onderdeel beeldede uittocht van het verzamelde leger naar het slagveld uit en alle stammen verzamelde zich eerst op het centrale plein, behangen met planten groen en vele met echte speren. Duizenden en duizenden verzamelde zich en marcheerden toen de weg af met de Sultan in het midden. Vele stammen hadden allen hun eigen trommels bij zich en al trommelend bewoog de eindeloze stoet zich voort, soms halthoudent zodat een lokale stamheer eer kon betuigen aan de Sultan als we langs zijn troon kwamen waarvoor dan zijn standaart opgesteld stond. Dit was echt de grootste stammenvergadering die ik ooit gezien heb en bij de poort gekomen werd er massaal gezongen, oorlogskreten werden uitgeschreeuwd en de lijfwachten vuurden hun oude blunderbussen af wat een oorverdovend lawaai gaf. Het geheel had echter een heel gemoedelijke sfeer ookal liep de helft met echte lange speren en zwaarden rond, erg grappig. Dit en nog veel meer was Nguon en over twee jaar is het weer, geweldig. Vanaf Foumban reisde ik in een barrel van een bak richting Kumbo, een stuk mee liftend met een generaal en zijn vrouw over de gruwelijk slechte weg de bergen in waar in de nacht de linten van brandend gras op de heuvelzeiden zichtbaar waren in de verre omtrek. Ik sliep in hun huis die nacht wat ook weer eens een heel ander perspectief gaf, een huis waar je makkelijk tien gewone Cameroense families in kwijt zou kunnen, een luxe praalkamer maar toch een koude douche, het is maar waar je belangstelling aan hecht. Van daar liep ik door de mooie bergen naar Elak-Oku op de zeide van de Oku vulkaan waar ik twee nachten verbleef. De zoon van de locale hoofdman of Fon was gestorven dus was er een begravenis feest. Ja, feest, want aan rouwen doen ze hier schijnbaar niet, gelukkig! Er was een groot diep gat voor de man z'n huis gegraven en vele mensen hadden zich verzameld voor de grafdans. Toen de priester z'n ding gedaan had werd er wat aarde in het gat gegooid en stapten er vijftien jonge mannen in het gat en dansten een speciale aanstamp dans begeleid door extatisch getrommel en het gezang van alle aanwezige vrouwen wat een geweldig geluid was. Zo werd er steeds wat aarde toegevoegd en na ongeveer een uur was het gat vol en danste iedereen er nog eens goed overheen, palmwijn drinkend en maiskorrels etend. Een kip werd geofferd, jachtgeweren in de lucht afgevuurd en de festiviteiten zouden zo nog twee dagen voortduren, wat een verschil met Europa! Ik liep echter verder over de bergen omhoog, langs een groen omringd kratermeer, door de bossen en toen weer omlaag naar de plattere landen die nu wijd voor mij uitgespreid lagen in een sweem van stoffig oranje geel licht. Ik bleef lopen en de volgende dag arriveerde ik in Sabga bovenop een heuvel waar enkel Fulani woonden en dat bestond uit 1 grote famielie van een stuk of tweeduizend man. Ik werd uitgenodigd door een oude El Hadji, een eerbare tietel voor mannen die naar Mekka geweest zijn. Het was erg fijn bij hem en zijn pittige vrouw in huis te zijn, een simpel leven, elke dag mais fufu of rijst, een fris klimaat en innige rust. Ik maakte even een wilde spurt naar een waterval waarbij ik terwijl ik door de jungle liep een traditioneel genezer en sjamaan ontmoette en we dronken samen palmwijn en hij toonde mij zijn huis in het groen wat me erg aan Santa Fe in Peru liet denken. Zou het nog bestaan, is het mogenlijk dat er nu iemand yage aan het brouwen is daar aan de andere kant van de oceaan in een vergelijkbare jungle? Binnen een dag was ik weer terug in Sabga en was het de tijd van het Salat feest, dat viert dat Moses op de berg een ram offerde inplaats van z'n zoon en dat voor moslims erg belanrijk is omdat het ultieme gewilligheid simboliseerd tegenover Allah. In de morgen gingen alle mannen naar een veld buiten het dorp om te bidden op een heuvel (die de berg van Moses simboliseert) en om een speciale preek aan te horen van een soort onder imam. Wederom was iedereen in het fijnst gekleed en de locale Fon reed op een vrolijk versierd paard begeleid door muziekanten en z'n parasol drager. Toen waren er paarden races en na afloop ging iedereen die het zich kon veroorloven naar huis om een ram te slachten, en de rest ging ook naar huis om vlees te ontvangen van hun rijkere familie leden wat een must is omdat er voor islam niets beters is dan schenken aan de armen, zeker als het je familie is (het hele dorp dus) en zeker als het feest is, good stuff. Ik sliep in een eenspersoons bed met de neef van mijn gastvrouw die erg aardig was maar op z'n zijftiende nog niet kon lezen ookal zat hij op de middelbare school, een geweldig voorbeeld van het niet functionerend onderwijs systeem hier in Cameroen, weet zeker dat er genoeg illiteraire generaals en ambtenaars rondlopen die op hun pozitie zitten enkel omdat ze uit een rijke famillie komen. Met een lach en een traan nam ik toen afscheid van deze vriendelijke zielen en daalde in een vlucht van de bergen af en die avond vlogen we in een reuzachtige bus met rijen van vijf stoelen terug naar Douala. Het was niet onprettig weer terug in het blauw bedeurde hotel te zijn waar ik een maand eerder ook had vertoeft en ik liet me de neugten van de stad goed smaken. De laatste dag in het duistere hart van Africa liet ik me verdwalen in de uitgestrekte markt vol pannen en sinasappel verkoosters en ook donkere hoekjes waar terughoudende vrouwen allerhande middeltjes en poeders verkochten gezeten tussen netjes opgestapelde torens doosjes en flessen, manden met wierook, vreemde zwarte bolletjes kruiden en rode aarden ballen. Langs reuzachtige zilveren vissen met bolle ogen en smakkende lippen kwam ik en stuite op de jungle dieren hoek waar krokodillen, een reuzachtige varaan, schildpadden en een soort gordeldier muis achtige wezens in grote getalen in netten een mizerabel bestaan leefden opweg naar de pan. Voor het laatst at ik echte pittige rijst met pindasaus tussen de varkens kotten waar rood gekleurd water door de stinkende goten stroomde en de langharige varkens met roze neuzen mij veel vriendelijker voorkwamen dan de onbeschofte kooplui. De kleur van de straat speelde in mijn ogen, de uitgelatenheid van de mensen, het wilde gevoel, de zwang van Africa was alles daar, ik genoot, ademde en was. De nacht kwam en ging, ik was opweg naar Egypte. Ik ontbeet nog voor de deur op een gammele houten bank, afrikaanse oliebollen met bonen en witte pap en racete toen naar de luchthaven in de warme zweterigge ochtendlucht. Honderd karakteriestieke uitdrukkingen, bruine gezichten niet wetend wat hun noodlot zal brengen maar doorzwoegend. Verstrikt in een hopenloze situatie in een land verstikt door de corruptie, geboren in een land zo rijk van nature, maar geen mogenlijkheid om te ontsnappen aan zijn eigen wurggreep. We vlogen over de woestijn, over Ouagadougou, over de Niger. Uitgestrekte bruine vlakte tot over de horizon. Een verbiddend landschap van stof en steen getekent enkel door de vormen van het zand dat zich telkens anders heeft opgehoopt. Ineens kwam het ten einde, een breuk, een klif, drie linten van de schoonste gele duinenrijen en dan de bergen. Daar lagen voor ons de pieken van de hoge Atlas, de toppen in reine sneeuw gehuld, het landschap verstild en in rust, stromen die zich ruig door het gebergte braken en uitvloeiden in de landen erachter. Boven al dit schoons rees nu de volle maan en kleurde het hemel gewelf roze paars met het laatste licht van de ondergegane zon. Toen doken we door de wolken en waren in Casablanca, ik was weer terug bij waar het allemaal begonnen was, in Marokko. Nu bleef ik echter niet en na zeven extra-psychische uren in de space zone die Casa airport was vlogen we weder de hemel in, zwevend op de golven van de nacht en sliep ik zacht over drie stoelen in een half leeg vliegtuig. Toen het licht werd vlogen we over nu grote wijde duinen met af en toe een zwarte tent en een geitenpaadje door het zand. Gauw werd het groener en toen zag ik ze. Op de rand van de woeling van de stad, omarmd door de huizen stonden de drie stenen reuzen, eeuwig en onoverwonnen. Scherp en duidenlijk in de schemering van het pre-zonsopkomstelijk licht. Ik was zoo ontroerd, geraakt door deze droom die ik nu werkelijk onder mij zag, Oh man, oh wat zijn jullie ongeloofenlijk mooi en krachtig, Piramides van Giza. Ik werd recht de chaos van Cairo slingerd maar ervoer het niet als onprettig, een gigantische maar niet overweldigende stad. Er heerst een soort orde en het voelt alsof er over nagedacht is. Hoe rijk lijken nu ineens de hoge huizen, de viaducten en de stoepen. Ze hebben zelfs stadsbussen en een metro, wat een innovatie! Een rustig hotel vond ik in een echte volksbuurt met een balkon met withouten luiken dat uitkijkt op de straat vier verdiepingen lager waar felverlichte tuktuk's rondkarren, de was uit de ramen te drogen hangt en af en toe een paardenkar voorbij komt beladen met velen rinkelende belletjes. Ik heb Cairo verkent en genoten van de culinaire rijkdom. Godelijke falafel voor 15 cent, Verse vruchtensapjes voor je neus geperst, echt brood, goed water gewoon uit de kraan, feta en olijven, yesss! Gisteren was ik ik het Nationaal muzeum en verwonderde me over de kollosale stenen beelden en pilaren van Achnaton en Ramses II, verbaasde me over de enorme stenen tombes met hun massieve deksels, vergaapte me aan de schone gekleurde hyrogliefen en de duizende fijngemaakte beeldjes. En dan was er Toeth-Ank-Amun, de zoon van de zon. Simpelweg gehypnotiseerd was ik toen ik in het gouden gezicht keek, in bliss gezeten tot hij diep in mijn ziel doorgedrongen was. Er spreekt zo'n goddelijke vrede en volmaaktheid uit van die ogen die op de andere wereld gericht zijn. Ik weet, het is een masker, maar de volmaaktheid die de kunstenaar die het gewrocht heeft erin heeft gelegd is werkelijk betoverend. Dat onze menselijke cultuur zoiets heeft voortgebracht vind in wonderbaarlijk en vervreemdend tegelijk. Zoveel goud verzameld uit de rotsen, zoveel uren spendeerd in het vervaardigen van de drie gouden sarcofagen en de tientallen gouden en glazen sieraden van eindeloze rijkdom. Wat een cultuur, zo lang geleden al, wat een waar wonder. Zo was ik weer tussen de Arabiers en leer ik wederom hun intrigerende tong.
Weder ben ik in de Sahara maar nu aan de andere kant van die zee van zand. In marokko verzette ik mij vaak waneer ze deden alsof Marokko geen onderdeel van Africa was, maar nu ik er geweest ben ben ik steeds meer geneigd met hun in te stemmen. Deze oceaan van eindelooze leegte is zo bepalend, de lieden aan gene zeide zo totaal verschillend, dat het onlogisch lijkt het als een continent te beschouwen. Wat ik echter aan beide zeiden gelijk heb ervaren is dat er zulke vriendelijk en welkomende mensen leven, het eerste wat vaak over hun lippen komt, 'Welcome to Cameroon, Welcome to Egypte'

zaterdag 29 november 2008

19. Mist en Nevelen


Jos, Jos, dan in het kamikaze blik met zn alle nouwelijks het asfalt rakend wegens de snelheid en de gaten naar de kruising. Hup eruit en de bush in, naar Yankari Nationaal Park. Een lange zwarte weg reden we over. We waren net de poort van het park gepasseerd en ik liffte de rit in de snelle wagen van een Jossiaanse professor in den architectuur. Over de weg liepen de rode stoffige sporen van kuddes olifanten en langs de weg stronden borden met; rijd 30, wees diervriendelijk, waar wij met 140km per uur voorbijschoten, natuurlijk, dit is Nigeria, je denkt toch niet echt dat iemand zich ook maar gewaar is van enig versiersel aan de weg. Zo kwamen we dus in korte tijd in het kampement, wat een vrij luxe gebeuren was met grote bungalows en de hele mikmak me airco en warm water; Warm water?! Het is buiten veertig graden, er stroomt een goddelijke hete rivier beneden in het dal en jullie luxe tiepjes willen heet water, totaal mesjogge. Ik onthield mij van al deze poes pas en sliep na enige verkenning van het terein onder een grote overhangende boom op het gele gras waar de krekels in zongen en troepen bavianen rondhingen. Het restaurant was ook erg sjiek dus at ik bij de achterdeur samen met de parkwachters en schoonmakers bij het zwartberoette afdak waar op vuur voor de horde gekookt werd terwijl de redelijk tamme wrattezweinen vechten over de restjes met de hoofdmannen van de bavianen bende. Er was dus een hete rivier in het goddelijke groenen tropische dal waar de stilte zich smorgens vermengde met de stoom die van het water opsteeg en daar danste in het vroege zonlicht in dunne spookjes van tornadoos. Het water was perfect warm en helder, een warm bad van tien meter breed en tweehonderd meter lang dat door het groen wond en waar boomen overstaken en vrolijke vogels en veelgekleurde flappende vlinders hun ding deden in de exotische en besloten atmosfeer. Uren lang liet ik mij dus hier in drijven en dobberen. Het water kwam direct uit de rots van onder de grond en heel bijzonder was het hoe je daar in het water kon zijn en het zo door je keel naarbinnen kon laten stromen en hoe het je dan vervulde van het hele zachte en genoegzame gevoel die er over de hele stroom hing. De dagen waren lang en dromerig en smorgens ontwaakte ik samen met de vogels en zag dan hoe de bavianen zich al slopend en brekend uit de bomen lieten vallen om dan hun kostje bij elkaar te scharrelen en elkaar eens flink achterna te zitten voor de nodige ochtend gymnastiek. Ze renden over de daken van de bungalows wat een hels kabaal produceerde, goh was ik toch blijk dat ik hier lekker rustig onder de heldere hemel lag. Op de laatste dag in het park ging ik mee op safari tocht door de dichte bush die van bebushte savanne tot semi jungle varieerde en we zagen bushbucks, een soort king size antiloop, krokodillen, vele vogels en gewone antilopen. De olifanten hadden zich diep in de bush verstopt en ook de oude leeuw die soms mensen lastig viel op de weg kregen we niet te zien. Zo verliet ik Yankari NP en reisde al zuidwaards ever de oostweg. Een avontuur van twee nachten dat mij langs bruinen gebergtes en heuvels voerde, door vele dorpjes geklusterd aan de zwarte rivier waar wij over raasde in een immer halsbrekende vaart, van voertuig naar voortuig surfde ik, minonkels ontwijkend, goedharten prijzend, de politie steeds in mijn nek hijgend opzoek naar dat ene foutje in mijn paspoort zodat ze me een dash zouden kunnen eisen, maar ze vonden er geen en zo gleed ik tegen de middag van de derde dag Calabar binnen, een oude beruchte slavernij handelspost en het eerste settelment van de Britten in deze wilde landen. Ik werd door de chaufeur van ons voertuig afgezet op een of andere grote straat en zie, toen ik mij omdraaide lag daar aan de overkant van de weg de Cameroeniaanse ambasade, als dan nou niet juist mijn eerste objectief was hier in de stad. Met een beroofd gevoel doch met het felbegeerde visa opzak maakte ik mij uit de voeten, op naar de havens. Die dag was deze stad mijn speelweide. Mijn tocht voerde mij door de rijke buitenwijken met hun gemanicuurde palmen en perfect gemaaid gras die in sterk contrast waren met de direct aangrenzende oude sloppen waar vermolmde coloniale huizen de tand des tijds kreunend doorstonden en besmeurde krotten uitkeken op de zwarte verstopte kanalen die dienst deden als zowel afvoer als vuilnisbelt en waar al het menselijk slijk zich opgehoopt leek te hebben. Het geheel behield toch een zekere subtiele schoonheid, zoals ook een stervend dier nog zo eervol kan lijken en de mensen zo vriendelijk, alle meisjes met hun kortgeschoren hoofden omdat ze naar school gaan, de Mammas met hun schaal pindas aan de straat, een kristaleine chaos op de rand van de menselijke afgrond.
De boot, een ronkend monster op de deinen, ex-grieks, ex-ibiza lijn en nu naar deze achterwateren van africa gavaren om hier haar laatste jaren door te brengen, roet en roest uitbrakend als een dovende vulkaan. De lading was ernstig slecht geladen en twee uur na onze originele vertrektijd stond de kapitein die net uit bed was nog aan de wal met een blik van; wat moeten we hier nou weer mee? Vertrekken deden we uiteindelijk toch en ik deelde een plaats op de nood accu terwijl de heldere fakkels van de booreilanden flakkerden aan en over de horizon, hun makabere schijnsel van verre zichtbaar als een voorbode van hun illustere bestaan. Toen het licht werd doemde voor ons de voet van Mt. Cameroun op, een reus van een berg waar wij enkele uren langsvoeren. Een rivier op ge varen legden we aan in Cameroun en de uitlaadchaos ving aan. Driehonderd smokkelaars en vogel vrije die tegelijkertijd aan wal proberen te komen en vier douane beambtes die een voor een een ander document van de meute proberen te ontfutselen, welkom in Cameroen. Na twee dagen de hoofdstad onveilig te hebben gemaakt trok ik richting Limbe, aan het strand van lava brokken en grijs zand, een wijde baai waar de wind in speelde en ik vanaf de overkant trommels kon horen klinken. Het was een traditionele trouwerij geleid door een priester in een vreemd wit gewaad en vele feestelijk uitgedoste types. Van Limbe naar Buea op de schoot van Mount Cameroun, de koele heuvelzeiden vol groen woud en yam veldjes. Ik sliep bij de Presbyterianen wat echt zeer confortabel was en plande mijn assentie van de vulkaan. Beladen mat mondvooraad voor drie dagen, extra kleren en een muts vertrokken we toen, gids Josef en ik in de vroege morgen. Het was nog fris maar al gauw gingen we het woud binnen en werden we overwelmd door het omhullende gevoel dat de begroeing je daar verschaft. Uren liepen we door het bos, over kronkelende wortel kabels en langs stamvaren clusters. Verwoven bomen vol lianen en hangplanten, mossen en donkere bladeren. Het pad bleef stijgen tot we plotseling aan de boomgrens kwamen en voor ons een zeer steile grassige helling oprees. Klimmen en rusten, traptreden op plaatsen, anders los gravel en geen repoos. Een boom boven ons die maar niet dichterbij leek te willen komen. Na wat een flinke marteling leek bereikten we dan hut 2 en maakten ons klaar voor de nacht. Een simpel maal en geroosterde mais smaakten ons nu uiteraard opper best en de harde grond onder mijn slaapzak mocht mijn nachtrust niet deren. De volgende morgen begon de dag weer met een lekker pittig kilometertje omhoog over een vergelijkbaar terein als de vorige dag echter waren er nu ook steeds minder struiken en na een middag pauze verdween ook het gras om nu de kale stenen te tonen en ons pad voerde nu langs grote gedoofde kraters en gestolde lava massas. De laatste driehonderd meter waren een uitputtings slag, longen die gewoon niet lijken te kunnen voldoen aan de vraag om zuurstof van je gekwelde spieren, half blind bijna voortstrompelend over een onmogenlijk ruw pad van scherpe stenen en los stof. Maar we kwamen er, 4090 meter boven de zee die we nu ver onder ons konden zien. Het gevoel alsof je in een vliegtuig zit, de wolken onder je, niets om je aan te meten. Beneden een hoogvlakte vol oude lavastromen en vreemde groene rotsen, punten die in de hemel lijken te willen krassen. Een moment van verheldering en dan weer omlaag, nu geen klimmen meer maar enkel dalen, door het stof en de as, eindelooze lava woestenijen waar nu koningsbloem in groeide en andere met verlegen kleuren. Ik stote mijn teen en legde er automatisch de net geplukte aromatisch bladeren op van de koniungsbloem en het bloeden stopte onmiddelijk. Het hele landschap had wel iets weg van Mordor en het wonder kruid van de koning leek nu wel binnen mijn bereik. Goed we daalden dus eindeloos, uren nog liepen wij door de graslanden, langs kraters uit 2000 stammend, de hele omgeving bedekt in zwart gruis waar groene obsisdiaan korrels in schitterden. De begroeing werd nu erg gematigd en ik meende kruiden als wilgenroosje, zuring en ganzevoet te onderscheiden terwijl een sterke springbalsemien geur constant in mijn neus kriebelde. Dan was daar het bos, bewaakt door een oude krater punt in het grijs van de mist gehuld, een zweigende getuige van een geweldadig verleden. We bivakeerden aan de rand van het woud in een driehoekige grashut en zaten lange tijd bij het kampvuur terwijl mijn gids mij verhalen vertelde over hekserij en magie die hier leeft in ieders bloed. Weer liepen we in de morgen door het bos en het was heerlijk. De levendige geur en de rijkdom, de orgie van diversiteit. Bladeren en reuzen planten. Na zes uur wandelen kwamen we weer in Buea aan en had ik twee dagen rust nodig om te bekomen van mijn gruwelijke spierpijnen. Van daar naar Kumbo en naar het meer aldaar. Een mirakel van een kratermeer geheel omringd door oerbos. Eerst wandelde Ik omhoog door een kloof die door de krater wand brak in een golf van groenheid die over de steile rotsen stroomde en mee met de rivier en dan was er het meer. Kalme golfjes landen op de bossige oever en boomstamkanos voortgedreven door bruine mannen met ruw uitgehakte peddels dreven over de waterspiegel. Na een broodje met locale verse pindaas pindakaas (een hele gewaarwording) liep ik over een prachtig pad langs de rand van het meer door de dichte bebossing. Eerst liep ik achter drie ondeugende jongetjes met zakken op hun hoofd en kwam vele dorpelingen tegen die mij allen zo hartelijk begroeten, wat een gastvriendelijkheid. Toen stond ik ineens oog in ook met een berg, een levende berg van een boom, zo een reus, de bladen van de voet minstens vijftien meter wijd, de stam wat, twee, drie meter dik, haar kruin verloren in het lagere groen, het gevaarte van haar romp als een raket boven het bos uitsteigend. Ik bereike het dorpje na een omweg door de cacao plantages waar vele leuke rode, groenen en gele (Africa unite) vruchten direct uit de stam ontsprongen. De man van het eerste huis van het dorp haalde mij binnen en daar bleef ik voor drie dagen, genietend van het simpele dorpsleven en de zoete droom van de jungle. Zwemmen in het meer dat vlakbij was en zo helder dat je de vissen aan je voeten kon zien zwemmen. De laatste vond daar, zonder stroom, zonder weg, sliep ik onder de reuze bamboe pol wat, zo werd mij verteld, een plek was met een hoop heksen, nou dan zal ik me er wel thuisvoelen zei ik. Uit de schemer en de magie vertrok ik en liep langs de andere wildere kant van het meer terug naar de kloof. Dit was een erg avontuurlijke tocht over een half overwoekert paadje op en neer door de exotische begroeing en de vele dieren, de roep van een troep apen in de hoge bomen in mijn oren schallend. Een gigantische boom was gevallen over het pad, lang en wit, gebroken onder haar eigen val lag zij daar nu, van haar eigen voetstuk gevallen en verpletterd, maar niet dood want zie, nu ontsprongen er uit de slapende knopen van haar oksels weer nieuwe blaadjes, nieuw en glimmend zich naar de onvergeefenlijke hemel wendend. Nog die avond zou ik in Bangem geraken, over de ergste weg uit mijn herinnering, drie uur honkend en bonkend over een luttele 40 kilometer. Daar waren de hoge groene bergen en beklom in alweer een vulkaan, nu voor twee krater meren, het man meer en het vrouw meer, de eerste nauw en hoekig, mysterieus, de ander wijd, rond en ontvankelijk. Hoe maai lagen ze hier verscholen in een grassige bijna mongools lijkende caldera vol paarden en koeien met lange horens en bruine glanzende huiden. Toen ik afdaalde waren de wolken geariveerd om mij het zicht te benemen en alles te hullen in de mysterie van de nevelen. De volgende morgen was het alweer lopen, nu de weg af omdat ik weigerde met drie personen inclusief veel bagage achterop een motor te stappen, het was mijn redding en mijn zegen, het was een heerlijke weg door het bos en de velden waar lenge grassen groeiden en mensen bezig waren hun yam veldjes te prepareren en mensen met bananen trossen op hun hoofd langskwamen opweg naar de markt die voor dit doel een hele aparte sectie heeft, enkel voor plantain en bananen.
Zo kwam ik uiteindelijk aan in Foumban, het huis van de sultan die nu een groots feest viert, maar dat hoort eigenlijk al bij de volgende keer dus daarover later meer.